Achterdetraliesvandeangst.jouwweb.nl
Home » DEEL 1

DEEL 1

 

TITEL BOEK (NON-FICTIE/AUTOBIOGRAFISCH): ACHTER DE TRALIES VAN DE ANGST – OPGEBRAND TUSSEN TWEE VUREN.

 

NAAM AUTEUR: DUNCAN ROBOT.

 

FLAPTEKST BOEK:

 

Freelance journalist Duncan Robot (50), sinds maart 2011 huisvader, lijdt - als gevolg van een rampjeugd - al een kwart eeuw aan pleinvrees (ruimtevrees), rij-angst op de autoweg, psychosomatische kwalen (zoals duizeligheid en migraine), een compulsieve dwangstoornis (ongewenste agressieve gedachten en neigingen van onbekende ‘komaf’) en aan chronische uitputting, een constant gebrek aan energie.

 

In dit boek beschrijft de getrouwde vader van een puberzoon en een puberdochter zijn dagelijkse malaise en lijdensweg vol angsten, frustraties en levenspijn maar ook vol vechtlust, liefde, spiritualiteit, veerkracht, humor en doorzettingsvermogen.

 

Duncan Robot zit nog middenin het lijden en bericht vanuit het episch centrum van zijn pijn.

 

Het boek heeft geen begin en geen einde. De lezer valt middenin de ‘struggle for life’ van de auteur en zo blijft het, tot de laatste bladzijde. Zo is het leven van en voor velen: geen happy end maar ook geen definitieve ramp…

 

Het verhaal van een man die met vallen en opstaan en met hangen en wurgen overeind tracht te blijven en die na steeds weer een nieuwe val in het ravijn overeind tracht te krabbelen en daar op wonderbaarlijke wijze telkens in slaagt.

 

Robot kan niet veel meer hebben en kan toch alles aan. Hij is sterker dan zijn angsten en spanningen. Met zijn angststoornis en agorafobie reist hij toch de hele wereld over. Met zijn burn-out gaat hij toch gewoon door. De mens is sterker dan hij weet.

 

Robot zegt: “Ik zou een heel leuk leven hebben zonder al die martelende, terroriserende kwalen en beperkingen. Ik ben afgezien van de beperkingen en geselende kwalen een heel erg gelukkig mens, maar de kwalen maken me het leven zuur. Natuurlijk ben ik wél gehard en gevormd door mijn dagelijkse strijd. Ik ben bewuster en wijzer geworden en ik ben me bewust geworden van mijn moed en doorzettingsvermogen, maar leuker en fijner is mijn leven er helaas niet op geworden. Het is gewoonweg vreselijk om nooit zonder angst en paniek te zijn, om nooit fit te zijn, om iedere dag rare lichamelijke gewaarwordingen mee te maken, om veel te piekeren en om louter op onbegrip, desinteresse en onverschilligheid te stuiten van de maatschappij, de artsen, de instanties, de media, de politiek en de omgeving (schoonfamilie, kennissen en familie). Niet voor niets zeggen sommige mensen na een moeilijke periode weleens tegen me: “Nu weet ik pas wat jij doormaakt. Ik was allang van de flat gesprongen als ik al zo lang had wat jij had. Wat ben jij sterk!” Mijn levensloop en situatie hebben ook duidelijk gemaakt wie er als mens met kop en schouders bovenuit steken. Ik kan heel makkelijk en duidelijk de betrokken, lieve, briljante en invoelende mensen van de botte, harteloze, gemakzuchtige, domme en egocentrische lieden scheiden. Niet alleen het feit dat mijn lijden onderschat, over het hoofd gezien en niet erkend wordt, brengen de kwalen vele dagelijkse frustraties en beperkingen met zich mee, zoals arbeidsongeschiktheid (een passende baan vind ik niet en dat is eigenlijk een grove belediging van mijn talenten en van wat ik nog WEL kan), impotentie, eenzaamheid en altijd het gevoel hebben slechts 20 procent te kunnen doen van wat je zou kunnen doen als je gezond was en van wat je zou willen doen. Desondanks hou ik mezelf op de been door leuke dingen te doen, te ontspannen, mijn rust te pakken en ieder moment van de dag bewuste keuzes te maken, al zou ik opwinding, boosheid en mijn overijverigheid meer overboord moeten gooien. Ik wil en ik doe meer dan dat ik kan en dan goed voor mij is.”

 

Het boek is een bundeling en ‘uitbouw’ van de vaak emotionele, hartverscheurende blogs die Duncan Robot dagelijks vervaardigt op het internet.

 

Robot heeft in dit manuscript weliswaar over zijn jeugd geschreven om duidelijk te maken waar zijn kwalen vandaan komen, maar heeft de jeugdtrauma’s emotioneel verwerkt. Hij kijkt nu zonder rancune en boosheid terug op wat er is gebeurd en waaraan hij werd blootgesteld.

 

Robot wilde met dit verhaal vooral laten weten hoe het is om in het hier en nu te kampen met een angststoornis en met een lijf dat en een geest die is gesloopt. Hij voelt zich geen slachtoffer en gedraagt zich ook niet als een slachtoffer, maar hij is het natuurlijk wél (hij was per slot van rekening een weerloos kind dat veel te lang werd blootgesteld aan stress, drama’s, ruzies en spanningen en dat alles heeft voor en op hem een hele nare uitwerking gehad – een Post Traumatisch Stress Syndroom lijkt het wel!

 

Toch ondervindt Robot bitter weinig medeleven. Integendeel. Als slachtoffer wordt hem juist continu het gevoel gegeven dat hij zich moet verantwoorden ten opzichte van anderen en merkt hij dat hij zelfs wordt aangevallen op zijn openheid, op het uiten van zijn grieven en op bijvoorbeeld uitingen over seks. Het gaat anderen kennelijk niet om wat Robot doormaakt en is overkomen (hetgeen toch de essentie is), maar we zijn er blijkbaar liever op uit om zelfs slachtoffers en mensen in noodweer te bekritiseren, te wantrouwen en belachelijk te maken…

 

De wonden van Robot zijn nooit kunnen helen. Steeds weer werden er nieuwe wonden veroorzaakt. Steeds weer werd er zout in de wonden gestrooid. Nooit is hij echt over zijn trauma’s heen kunnen komen. Nooit heeft hij echt kunnen herstellen. De trauma’s uit zijn jeugd zitten slechts onderin de emmer…

 

Elk hoofdstuk begint met een wijsheid van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, de indianen. Duncan Robot put namelijk heel veel kracht en troost uit de inzichten van dit natuurvolk.

 

Lijden is niet alleen erg, het brengt ook mooie levenslessen met zich mee.

 

 

INTRODUCTIE (Wat er aan het schrijven van de blogs vooraf ging)…

 

We zijn vrienden. We moeten elkaar helpen om onze lasten te dragen (Osage).

 

Een zonovergoten lentedag in 1989, het jaar waarin ben Bush senior wordt beëdigd als de 41ste president van de Verenigde Staten van Amerika en GroenLinks ontstaat uit een fusie van de PPR, EVP, PSP en CPN. Ik fiets al dertien kilometer als een bezetene en word niet moe. Woede is mijn brandstof. Ik ben boos op God, op mezelf, op mijn ouders, op mijn leraren, op de hele wereld en op het leven, op MIJN leven.

 

Terwijl ik de trappers ronddraai, met furieuze energie, scheld ik hardop tegen de hele wereld en tegen het bestaan. Als ik een mitrailleur had gehad, dan had ik een bloedbad aangericht. Maar ik zou mijn moordwapen vooral hebben gericht op de hemel. Hoe vaak heb ik gebeden zonder dat ik hulp of antwoord kreeg? De pijn werd na elk gebed alleen maar erger…

 

Buiten mezelf van kwaadheid ben ik. Hardop vervloek ik alles en iedereen. Ziedend ben ik. En wie ziedend is, ziet en hoort niets. Die zit in een cocon van extreme boosheid.

 

Ik verfoei het oorlogshuwelijk van mijn ouders, ik verafschuw mijn overspannen, negatieve en vaak agressieve vader, ik haat mijn jeugd vol met zelfhaat, anorexia nervosa, dodelijke verlegenheid, een minderwaardigheidscomplex en onvervulde verlangens, ik veeg de vloer aan met de examinatoren van de School voor de Journalistiek die mij na vier geruisloze en kritiekloze studiejaren lieten zakken, ik verwens het verwerpelijke macho-cultuurtje op de sportredacties van de krant waar ik stage liep en van het voetbalweekblad waarvan ik vaste medewerker was, ik heb genoeg van mijn zogenaamde boezemvriend George die alleen nog maar kan praten, eindeloos kan praten, over carrière maken en geld verdienen en ik heb medelijden met mijzelf, omdat ik door zoveel hellen ben moeten gaan.

 

 

Al sinds de HAVO voel ik me totaal uitgeput. Sindsdien zit ik iedere dag slecht in mijn vel, ben ik prikkelbaar, kan ik nergens echt van genieten, ben ik nooit ontspannen of zorgeloos en kost alles mij veel teveel kracht. De privé-oorlog van mijn ouders heeft me gesloopt. Papa en mama zijn twee vuren waartussen ik opgebrand raak. De enige die me hulp kan bieden, heeft me laten vallen. Ik heb het over de paranormaal therapeut die me op straat heeft geschopt, omdat hij geen zin meer had, zoals hij dat noemde, om de rommel voor me op te ruimen.

Maar heeft hij dan geen weet van de gespannen sfeer en de drama’s thuis, van het wankele vooruitzicht op een succesvolle maatschappelijke carrière, nadat ik ben gezakt voor mijn examen aan de School voor de Journalistiek? Ik had geen puf meer om herexamen te doen. Volgens de examinatoren zou ik met kleine aanpassingen in mijn eindexamenverhalen makkelijk slagen. Maar ik ben zo boos dat ze op school nooit kritiek op me hebben gehad en me dan laten zakken, alleen maar vanwege - zoals zij dat noemen - archaïsch taalgebruik hier en daar…

 

Alles zit tegen. Echt alles.

 

Ik ken voor mijn gevoel niets dan pech en onheil. Het waardeloze, slechte huwelijk van mijn ouders, mijn jeugd vol eenzaamheid, zelfhaat, geremdheid, Weltschmerz, gebrek aan gezelligheid, aan sturing, aan steun, aan harmonie, aan geborgenheid, aan iemand die me bij de hand neemt…

 

Ik was altijd sterk en gezond geweest. Voetbal en tennis waren mijn uitlaatkleppen. Dankzij sport overleefde ik mijn jeugd. Met een bal aan mijn voet of tegen mijn racket was ik gelukkig en zorgeloos. Maar nu ben ik te uitgeput om te sporten en mijn lichaam is hartstikke stram, niet meer in staat om te sporten, om lenig te bewegen. Muurvast zit ik, in lichamelijk, mentaal en in praktisch opzicht.

 

Het was een wonder dat ik niet eerder bezweek aan de angst, paniek en spanning. Hoe vaak heb ik wel niet met hartkloppingen en met ingehouden adem in bed gelegen als het beneden weer eens stormde en papa tekeer ging tegen mama? Hoe vaak is mijn hart wel niet stil blijven staan, uit angst dat mama wat zou overkomen? En al die woede die ik in dat pakhuis van mijn lichaam heb opgeslagen, kan toch ook niet gezond zijn voor een mens?

 

Ik bleef sterk en gezond, ondanks al die ongezonde emoties. Totdat ik op mijn achttiende van het ene op het andere moment, in een hete telefooncel in Utrecht waar ik journalistiek studeerde en waar ik eenzaam op een kamertje zat bij een onaardige hospita, heel erg duizelig werd. Angstaanjagend duizelig. Ik draaide, de hele wereld draaide voor mijn ogen. Ik dacht dat mijn einde was gekomen. Ik wist niet dat een mens zich zo raar en eng kon voelen. Ik wist niet dat dat mogelijk was.

 

Ik weet niet hoe ik thuis ben gekomen toen. Ja, met de trein, maar hoe ik erin slaagde om op het station te komen en de treinreis naar Rurdam te volbrengen, ik weet het niet. Een onzichtbare kracht moet me begeleid hebben…

 

Die duizelingwekkende duizeligheid bleef, ook na een paar dagen, na een paar weken, na een paar maanden. Volgens de huisarts had ik een zonnesteek opgelopen in die snikhete telefooncel. Het was volgens hem een kwestie van uitzieken. Maar ik werd niet beter, ook na drie maanden niet. Ik slikte homeopathische geneesmiddelen tegen een zonnesteek, maar die hielpen niet. Volgens de bloedonderzoeken in het ziekenhuis was ik kerngezond.

 

Op een dag zei mijn moeder in een zeldzame bui van daadkracht dat ze een afspraak voor me had gemaakt bij een paranormaal genezer in Rurdam. Hij zou mij misschien kunnen helpen. Mama vertelde me hoe oom Tom door hem op wonderbaarlijke manier was genezen van zijn rugkwaal die zo hevig was dat hij niet meer had kunnen staan of lopen. Vrienden van hem hadden hem, liggend op een deur, bij de praktijk van de paragnost naar binnen gebracht en na een korte behandeling, zonder aanraking, was hij opgestaan en fluitend de deur uitgelopen. Ik vond het onzin en was kwaad dat ik naar zo’n ‘bedrieger’ moest.

 

Echter, toen die ‘bedrieger’ de deur van zijn praktijk, de ruimtelijke benedenverdieping van een statig herenhuis, opende op het tijdstip dat ik de afspraak had staan met hem, had ik plots een kinderlijk vertrouwen in hem. Ik vertelde de wondergenezer – krullen, bril, eeuwige glimlach, grote blauwe ogen die nooit knipperden - dat ik al maanden hartstikke duizelig was en amper kon staan. Toen ik zei dat de huisarts nog steeds geloofde dat het om een zonnesteek handelde, schudde hij zijn hoofd. Ik moest op een behandeltafel gaan liggen, hij liep om me heen en zei toen: “Je bent helemaal uit balans. Je staat helemaal scheef. Je loopt als Charlie Chaplin, met je voeten naar buiten. Allemaal het gevolg van het feit dat je bij je geboorte een tijd hebt vastgezeten in het geboortekanaal. De geboorte ging snel, maar stokte op een gegeven moment.” Mijn moeder knikte en zei dat dit waar was.

 

De heelmeester maakte een paar rare bewegingen met zijn handen, terwijl hij in opperste concentratie verkeerde. De duizeligheid was weg. Als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik was genezen. Ik kon de man wel zoenen!

 

Als een kind zo blij was. Ik kon weer voetballen, schaatsen en naar school. Gelukkig stelde de opleiding ‘journalistiek’ aan de Ravellaan in Utrecht toen niets voor en kon ik moeiteloos weer aanhaken. Ik was nog steeds uitgeput en prikkelbaar, maar de duizeligheid was weg. Ik kon weer functioneren.

 

Ik verkeerde in de zevende hemel na al die maanden duizelig op bed gelegen te hebben, totdat ik plotseling op een dag - een paar weken na de wonderbaarlijke genezing - bij iedere stap die ik zette het gevoel had in een gat te trappen. Heel raar en heel ergerlijk. Na zes weken was deze merkwaardige klacht nog niet verdwenen.

 

Natuurlijk zette ik al mijn hoop op de paragnost die me van de tergende duizeligheid had bevrijd. Nu zei hij tegen mij: “Deze klachten hebben niets te maken met je vorige kwaal of met mijn behandeling. Je bent niet losbollig genoeg. Als ik zo was als jij, kon ik dit werk niet doen. Je steekt je neus te veel in andermans zaken en je lijdt aan Weltschmerz. Je draagt de last van de hele wereld op je schouders. Je houdt je met ieders problemen bezig. Neem afstand.”

 

Wat hij zei, was herkenbaar, maar toen ik na twee behandelingen - zes maanden later na het begin van de klachten - nog niet van de nare kwaal was bevrijd en ik nog altijd bij iedere stap het gevoel had in een gat in de grond te trappen, werd de paragnost tijdens de derde behandeling kwaad: “Ik heb geen zin om jouw stoep steeds te moeten schoonvegen. Als jij iedere keer dezelfde fouten maakt, kan ik daar niks aan doen. Je moet het zelf doen.”

 

En daar stond ik op straat. Met hele hardnekkige, angstaanjagende klachten, ongelukkig en eenzaam.

 

Maar zijn woorden nam ik ter harte. Ik moest veranderen en mezelf genezen. Ik probeerde minder serieus te zijn en me minder het leed van anderen aan te trekken. Maar de klachten verdwenen maar niet. De huisarts wist zich opnieuw geen raad met mijn kwalen en haalde zijn schouders op. Uit wanhoop begon ik mijn heil te zoeken in het doorspitten van zelfhulpboeken en spirituele literatuur. Ik dacht dat alle antwoorden in het paranormale te vinden moesten zijn. Na de eerste succesvolle behandeling van de paragnost was ik ervan overtuigd geraakt dat mensen met een zesde zintuig meer wisten en alle problemen konden doorzien en oplossen. Er moesten toch meer mensen zijn zoals ‘mijn wonderheler’ die mij konden redden?

 

Ik las drie van zulke boeken per week. Ik las over engelen, reïncarnatie, aura’s, duivels, uittreding en over chacra’s. Gulzig en kritiekloos nam ik alles in me op. Ik paste bio-energetische oefeningen op mijzelf toe en probeerde aura’s te leren zien. Alles wat ik las, slikte ik voor zoete koek en droeg ik fanatiek uit als mijn waarheid. Iedereen die het wel of niet wilde horen, vertelde ik over de betekenis van de kleuren van de aura (het energieveld om mensen heen dat sommige mensen met een zesde zintuig zouden kunnen waarnemen), over karma (fouten in een vorig leven komen in dit leven op je pad) en over leven na de dood. Ik had niet door dat ik een spiritueel waanzinnige aan het worden was, een bezetene en dat ik mijzelf hersenspoelde.

 

Alle tips van de paragnost en die ik in boeken las, paste ik de godganse dag toe. Van de paranormaal genezer moest ik op mijn hakken lopen en staan in plaats van op mijn tenen. Ik moest positief denken en mijn hoofd tijdens het wandelen niet naar beneden laten hangen. “Kop op,” herhaalde hij tot in den treuren. Voortdurend was ik alleen nog maar bezig deze tips toe te passen. Negatieve gevoelens en gedachten waren taboe, de hele dag door probeerde ik positief te denken. Negatieve gevoelens en gedachten verdrong ik. Ik dacht mezelf helemaal suf.

 

Het ging van kwaad tot erger. Ik werd een zombie die geen contact meer had met zijn ware gevoel of met zijn lichaam. Het was alsof ik alleen nog maar een hoofd was en uit kunstmatige positieve gedachten bestond. Ik preekte tegen iedereen fanatiek over karma, leven na de dood en chacra’s (energieknooppunten in het lichaam).

 

Echter, dat gevoel in een gat te trappen tijdens het lopen verdween niet. Bij iedere stap die ik zette, had ik die misselijke en angstaanjagende gewaarwording. Ondertussen kweekte ik nieuwe problemen met mijn spirituele gedoe.

 

En daar fiets ik dan, door talrijke Limburgse dorpen, boos op alles en iedereen. Vloekend en tierend. “Dit is goed,” denk ik. “Eindelijk uit ik mijn ware gevoelens en doe ik niet meer zo zweverig.”

 

Maar ’s avonds op de slaapkamer is het alsof plotseling alle energie uit mijn geest en lichaam stroomt, alsof ik een ballon ben die wordt lek geprikt. Dit gaat gepaard met enorme onrust, innerlijke onrust vooral. Ik word heel erg bang. Echt héél erg bang. Gewoon bang. Niet ergens voor. Angst neemt gewoon bezit van me. Pure angst. Ik strompel naar beneden en zeg tegen een van mijn twee zussen dat het niet goed met me gaat. Ze denkt dat ik weer eens toneel speel en grappig probeer te doen. Mijn angst moet er heel grappig hebben uitgezien. Maar dan ziet ze dat er echt iets niet goed is met me en belt ze de huisarts.

 

“Het is hyperventilatie,” zegt hij. “Je hebt waarschijnlijk teveel in je hoofd gezeten. Je moet door je buik ademhalen. Leg een stapel boeken op je buik en zie hoe die boeken bij iedere ademhaling op een neer gaan.”

 

Ik doe wat de witte jas me zegt, maar ik blijf ontzettend onrustig, zo slap als een vaatdoek en geperforeerd door angst. Ik probeer naar buiten te gaan om een luchtje te scheppen, maar ik word al een meter vanaf de voordeur overvallen door enorme paniek. Het is alsof ‘buiten’ een hongerige, agressieve leeuw is die me wil opvreten. Het voelt alsof ik in elkaar stort, alsof ik oplos in het niets. Vlug terug naar binnen. Daar wordt de angst iets minder. Maar niet de zwakte en de onrust. Als iemand tegen me praat, word ik super onrustig. Ik kan niets aan en niets verdragen, zelfs geen gesprek met mama. Mijn dagen slijt ik in mijn eentje op bed, luisterend naar de radio. Voortdurend heb ik last van hele hevige gaapaanvallen die wel een half uur aanhouden. Ik blijf maar gapen en bij iedere gaap lijk ik zwakker te worden, slapper.

 

Straatvrees is geboren. Een paniek- en angststoornis. Het gevolg van jarenlange stress, spanning, piekeren, ongelukkig zijn. De huisarts weet zich er geen raad mee. Alles wat hij zegt is: “Probeer afleiding te zoeken. Ga eens window shoppen en kijk wat er allemaal in de etalage ligt.” 

 

Maar hoe kan ik etalages bekijken als iedere stap buiten de deur gepaard gaat met gierende paniek en met allesoverheersende angst, verlammende vrees?! Het komt niet bij de arts op om me naar een psycholoog te sturen. Maar ik heb zelf ook geen fiducie meer in de reguliere geneeskunde. Na die ene wondergenezing zet ik voortaan al mijn kaarten op paragnosten.

 

Twee jaar lang laat ik me behandelen door een natuurgenezer die vooral reiki (Japanse manier om levensenergie in goede banen te leiden) toepast. Bij de eerste behandeling belooft hij me dat ik er na tien keer bovenop zou zijn, maar dat is geenszins het geval.

 

Toch blijf ik nog heel lang bij hem, als zijn voornaamste inkomstenbron. Twee keer per week legt hij zijn handen op verschillende delen van mijn lichaam en hoofd. Het haalt allemaal niets uit. Ik voel me na een behandeling even iets beter, maar dat duurt hoogstens een half uurtje. Ik spreek andere patiënten die beweren wél heel goed door hem geholpen te worden en zelfs genezen te zijn, dus ik vermoed dat het aan mezelf ligt. ‘Ik ontspan niet voldoende, ik denk te veel en te negatief en ik kan niet loslaten’… Herhaaldelijk prent de paragnost me ook in dat ik te negatief ben en dat ik daardoor niet herstel.

 

Op een gegeven moment word ik het hulpje in de huishouding van deze paragnost. Ik doe zijn afwas en ik heb zelfs zijn nieuwe praktijkruimte behangen.

 

Pas na twee jaar-  zonder enig resultaat, duizenden euro’s lichter - heb ik de moed om deze paragnost - die ik nu beschouw als een geldwolf die wanhopige patiënten afhankelijk maakt - op te bellen en te zeggen dat ik geen heil meer zie in verdere behandeling.

 

Het zal evenwel niet de laatste alternatieve arts zijn die ik consulteer. Meer dan dertig alternatieve therapeuten - van acupuncturisten, gebedsgenezers, handopleggers, orthomolucaire artsen, Chinese kruidendokters tot cranio-sacraal-therapeuten - zal ik in de loop der jaren verslijten, plus nog een handjevol psychologen. De alternatieve genezers beloven me stuk voor stuk genezing. Ze stellen allemaal een andere diagnose. Volgens de een word ik angstig van tomaten en moet ik nooit meer tomaten eten. Volgens een ander ben ik zelf paranormaal begaafd en neem ik negatieve energie en kwalen van andere mensen over en moet ik bomen knuffelen. Zo heeft iedere ‘Tita Tovenaar’ zijn of haar eigen visie en methode. Ik volg tal van diëten, slik allerlei homeopathische troep en vitaminepreparaten, ik drink gore Chinese kruidenthee en  paardenmelk en ik mediteer, maar niets helpt. Helemaal niets. Integendeel, van de meeste pillen en homeopathische brouwseltjes sla ik op tilt en word ik nog angstiger en onrustiger!

 

Ieder jaar laat ik via de huisarts twee keer bloed prikken, omdat ik wil weten of mijn kwalen een lichamelijke oorzaak hebben. De symptomen die horen bij een lage bloedsuikerspiegel lijken erg op mijn symptomen. Uit de bloedonderzoeken blijkt telkens dat mijn bloedsuikerspiegel best laag is, maar niet alarmerend laag. Eén keer verwijst de arts me door naar de interniste in het ziekenhuis om een neurologische aandoening uit te sluiten. De interniste heeft die dag duidelijk slechte zin, zegt amper een woord tegen me, doet kortaf en schraapt even over mijn voetzolen om daarna te concluderen dat ik kerngezond ben. Na vijf minuten sta ik buiten. Op een dag voel ik een hele erge druk op mijn borst en ik vrees een hartprobleem. Ik ga naar de Eerste Hulp in het ziekenhuis. Daar wordt een hartfilmpje gemaakt. Geconstateerd wordt dat ik een erg trage hartslag heb hetgeen duidt op een sporthart of vergroot hart, maar daar kun je volgens de arts honderd mee worden. Mijn oma is daar inderdaad 93 jaar mee geworden. Op het hartfilmpje is geen afwijking te zien. Een paar jaar later doe ik in het ziekenhuis een fietstest om andermaal een hartkwaal uit te sluiten. Eerst komt de internist tot de slotsom dat mijn hart gezond is, maar als een stagiaire die meeluisterde bij het controleren van mijn hartslag zegt dat ze een onregelmatigheid hoorde, luistert de internist nog eens en zegt ze: “Ja, misschien komt uw vermoeidheid wel voort uit een hart dat niet regelmatig of niet goed pompt.” De uitslagen van alle onderzoeken worden doorgestuurd naar de cardioloog in hetzelfde ziekenhuis en een paar weken later meldt hij mij droogjes en zeer afstandelijk dat mijn hart kerngezond is. De huisarts schrijft me op een dag het geneesmiddel Seroxat voor, een middel dat vaak wordt ingezet bij angsten, depressies en dwangstoornissen, maar van de bijwerkingen word ik heel akelig: ik ga trillen, krijg hele sterke zelfmoordneigingen, ik word nog veel angstiger en slapper dan gewoonlijk en de innerlijke onrust wordt enorm. Zelfs als ik overschakel op een half pilletje gieren de zenuwen en de paniek door mijn lijf. Als ik mijn huisarts confronteer met deze bijwerkingen, zegt hij: “Dat kan niet. Als dit waar was, was het geneesmiddel nooit op de markt verschenen.” Ik voel evenwel zelf aan dat ik met dit middel moet stoppen en doe dat ook. De huisarts zegt mijn besluit zeer te betreuren.

 

Vanaf het moment waarop ik afscheid heb genomen van de paranormale geldwolf in schaapskleren – hij schepte maar steeds op dat hij gouden handjes heeft waarmee hij iedereen kan genezen - ga ik gedichten en verhalen schrijven om weer bij mijn gevoel te komen en om de tijd te doden.

 

Ik kan geen werk aanvaarden en ben altijd thuis. Uit verveling en uit pure lust ga ik sekslijnen, de zogenaamde 06-lijnen, bellen. Ik raak eraan verslaafd en vaak loopt de telefoonrekening op tot 600 gulden. Omdat ik me schaam voor mijn telefoonseksverslaving en omdat ik niet wil dat mijn vader vragen gaat stellen over de hoge telefoonrekening onderschep ik de facturen van KPN en betaal die van mijn WW-uitkering. Mijn vader vraagt (ons) nooit hoe het komt dat hij nooit meer een factuur van KPN krijgt en hoeft te betalen.

 

Door de uitputting en de pleinvrees ben ik letterlijk aan huis gekluisterd. Ik durf niet naar buiten. Als ik dan toch eens naar buiten ga, krijg ik onherroepelijk last van gaapaanvallen, zwakte en paniek. Vandaar dat ik liever thuis blijf. Ik heb geen kracht en zin om steeds blootgesteld te worden aan die angstaanjagende paniek en lichamelijke slapte.

 

Ik mis daardoor bijvoorbeeld de trouwdag van mijn oudste zus. Terwijl iedereen feest viert, zet ik een plaatje op, schrijf ik wat gedichten en schilder ik wat abstracts bij het licht van een kaars. Ik voel me hopeloos.

 

Het is inmiddels medio 1991. Ik slijt mijn dagen thuis. Uitgeput, slap, onrustig, ik moet om de tien minuten plassen, ik slik veel homeopathische troep, af en toe bel ik een Brabantse paragnoste die me via behandelingen door de telefoon wat rustiger maakt (het werkt echt, voor even), ik luister veel muziek, schrijf veel, probeer mijn gedichten gepubliceerd te krijgen (maar geen enkele uitgever toont interesse en ik kan nu begrijpen waarom) en maak af en toe het huis schoon.

 

Ik ben inmiddels begonnen om voor de vogeltjes in de tuin te zorgen. Iedere dag geef ik hen broodkruimels en wat kaas. Ook krijg ik af en toe gezelschap van de poes van de achterbuurman. “De poes van Frits’, noemen we het uitzonderlijk aanhankelijke, rood gestreepte beestje. Deze contacten met dieren bezorgen me wat afleiding en vreugde. Ook probeer ik in de achtertuin de bal hoog te houden met de voet. Voetballen was gedurende mijn jeugd altijd mijn uitlaatklep geweest, net als tennissen en fietsen. Het ‘jongleren’ is een fijne hobby. Ik ben ten minste even buiten en bezig, al is het maar tien minuutjes in de achtertuin.

 

Via een contactadvertentie in een weekblad leer ik Sonny kennen. Bij haar eerste brief stuurt ze een foto mee. Als ik de foto zie, zeg ik hardop tegen mijzelf: “Dat wordt mijn vrouw’. In 1996 trouwen we. Maar daar gaat veel aan vooraf.

 

Omdat ik bang ben dat ze mijn klachten raar zal vinden, verzin ik dat ik Pfeiffer heb en veel moet rusten. Sonny gelooft me natuurlijk. Waarom zou ik zoiets verzinnen? We spreken voor de eerste live-ontmoeting, na maandenlang alleen gebeld en geschreven te hebben, af  in een café in Rurdam. Ik moet al mijn krachten verzamelen om de fietstocht van de woonwijk naar het centrum van de stad - 2,5 kilometer lang -  te kunnen volbrengen. Ik ben tijdens het fietstochtje slap, bekaf, duizelig, zwak en bovendien zeer paniekerig vanwege de straatvrees, maar nood breekt alle wetten en het lukt me om tot de kroeg te komen, midden op de dag, en om een half uurtje met mijn nieuwe vriendin te praten. Hoewel ik haar alleen ken van brieven en bellen, herken ik in haar mijzelf, dat wil zeggen gevoeligheid, een zekere eenzaamheid en schranderheid. Haar zachte uitstraling stelt me gerust en op mijn gemak.

 

Maar het is een moeilijke relatie, omdat we altijd bij mijn of haar ouders op de bank zitten, aangezien ik nergens naartoe durf te gaan. Het klikt niet zo met haar moeder die me het gevoel geeft niet goed genoeg te zijn voor haar dochter. Vaak ben ik prikkelbaar, omdat ik gespannen ben van het vele thuiszitten en door alle kwalen. Bovendien ben ik dan nog heel erg jaloers en onzeker. Als Sonny enthousiast vertelt over een mannelijke collega op haar werk word ik woedend. Zo woedend dat zij het zat is en het uit maakt.

 

Een paar weken later bel ik haar op en maken we het goed. Leuke weken volgen. Sonny komt uit een reizigersfamilie en wil graag met mij op vakantie naar Florida. Ik wil ook graag reizen, maar ons uitstapje naar een Duits stadje, op twee uur rij-afstand van huis, was voor mij al een verschrikkelijke nachtmerrie die gepaard ging met heel veel paniek, angst, onrust en duizeligheid. Ik liet helemaal niks blijken en hield me sterk en het is een wonder dat ze niks heeft gemerkt. Kennelijk kan ik heel goed pretenderen en toneel spelen.

 

Tegen beter weten in, om mijn vriendin een plezier te doen, boeken we de reis naar Florida. Maar als we eenmaal hebben geboekt, dringt het tot me door dat ik die reis onmogelijk kan maken. Ik ben te zwak en te angstig. Bovendien stik ik dan nog van de vliegangst. Sonny vindt het vreemd dat ik haar enthousiasme voor de reis naar Florida niet deel en denkt dat ik gewoon geen zin heb om te gaan. Nog steeds weet ze niet beter dan dat ik nog wat last heb van de Pfeiffer. Als ik laat doorschemeren de reis toch niet zo te zien zitten, is ze boos. Ze denkt dat ik gewoon niet wil. Nu moet ik haar wel vertellen hoe de vork in de steel zit, wat ik ECHT mankeer. We hebben immers al een jaar een relatie en al die tijd heb ik haar maar wat voorgelogen.

 

Sonny gaat met haar moeder naar Florida, en ik blijf thuis. Ik voel me schuldig, Sonny geeft me ook heel erg een schuldgevoel. Ze begrijpt natuurlijk niet waarom ik niet meteen eerlijk ben geweest over wat ik werkelijk mankeer. Ze vindt mijn kwalen niet raar, maar is wel heel erg teleurgesteld over mijn leugens en over het feit dat we niet samen met vakantie gaan.

 

Om wat terug te doen en een wit voetje te halen bij haar en haar ouders (die werken en geld verdienen heel belangrijk vinden, en terecht) sleep ik mijzelf naar het uitzendbureau en ga ik in een fabriek werken waar ik bouwstaalmatten moet maken met behulp van machines. Vies en loodzwaar werk. De eerste dag denk ik voortdurend dat ik van mijn stokje ga, maar ik zet door en hou het dankzij de leuke samenwerking met een Turkse collega een paar maanden vol, totdat ik het echt niet meer kan opbrengen. Fabriekswerk is niks voor mij en al helemaal niet in zo’n toestand. Om dingen te doe, heb je energie nodig. Energie geeft kracht. Om dingen te doen met tegenzin, heb je nog meer energie nodig… Die energie had en heb ik niet.

 

Hoewel ik nog steeds altijd paniek heb buiten de deur en me altijd ziek, zwak en misselijk voel, ga ik werken als regioredacteur bij een kabelkrant. Tot mijn eigen verwondering hou ik het daar een jaar uit. Het kost me ongelofelijk veel kracht om op het werk te komen (met trein en fiets) en om het werk te DOEN, maar ik put kracht uit mijn ambitie om te slagen en met Sonny een bestaan op te bouwen.

 

Na mijn ontslag bij de kabelkrant, waar ik het werk weinig uitdagend vond, word ik sportverslaggever bij de regionale krant en vind ik ook nog een baan als freelance verslaggever van het blad Spot.

 

Het gaat iets beter met me, maar dikwijls heb ik paniekaanvallen in een restaurant, in de bioscoop en gewoon op straat, op weg naar de redactie en op de redactie (maar ik slaag erin niets te laten merken). Op een dag zegt een collega bij de krant tegen me: “Duncan, wat zie jij er ongelofelijk slecht uit.” Ik voel me op die avond ook alsof ik ieder moment kan gaan sterven, alsof de kaars zal uitgaan. Ik reageer prikkelbaar en afwerend. Deze collega heeft zelf last van hyperventilatie en van angstaanvallen, en ik heb hem vaak advies gegeven. Nooit vertel ik hem of aan andere collega’s dat ik wat hij heeft misschien wel in veel ergere mate heb, omdat mijn angsten gepaard gaan met een hele lage weerstand (constant grieperig), met een hele lage stressbestendigheid en belastbaarheid en met een alles opeisende uitputting!

 

Nog altijd ben ik iedere week grieperig. Mijn weerstand is laag. Mijn belastbaarheid en stressbestendigheid idem dito. Snel schiet ik in de stress en ik word heel snel heel erg kwaad, tot forse woede-uitbarstingen aan toe. Ik ben eigenlijk hartstikke overspannen en oververmoeid. De paniekaanvallen en angsten kosten me ontzettend veel energie en kracht en alles wat ik doe, gaat gepaard met hangen en wurgen. Echter, van het gevoel in een gat te trappen, ben ik van de ene op de andere dag verlost, zonder iets te hebben gedaan.

 

Bij Spot groei ik uit tot een van de sterreporters. Ik schrijf het halve blad vol en verdien goed. Ik ga voor reportages met André Rieu naar Monaco en Cannes, met zangeres Wilma naar Disneyland Parijs en met André van Duin eveneens naar de stad van de liefde. Het roddelwerk gaat me goed af, maar ik heb het altijd met tegenzin gedaan. Het past niet bij wie ik ben, bij waar ik voor sta. Echter, het makkelijke en vele geld en de leuke collega’s vergoeden veel.

 

Sonny en ik maken nu wél samen (vlieg)reizen. Tijdens onze eerste vliegreis naar Turkije knijp ik vanwege de vliegangst drie uur lang haar hand fijn, ik durf niet door het vliegtuigraampje naar buiten te kijken en ik ben constant licht in mijn hoofd, maar ik doorsta het, al heb ik na de landing knallende hoofdpijn. Het reizen/op vakantie gaan kost me waanzinnig veel kracht, maar geeft me tegelijkertijd vreugde en energie.

 

Ook op reis blijven de angsten me de hele dag door bezoeken, ook op vakantie ben ik vaak geradbraakt en uitgeput en ook in het buitenland moet Sonny me letterlijk ondersteunen en bij de hand nemen en moet zij altijd rijden, maar de schoonheid van de gebouwen, het lekkere klimaat en de mooie natuur bezorgen me afleiding en een geluksgevoel.

 

In 1995 gaan Sonny en ik samenwonen. Rond Kersttijd krijgen we een huurwoning met vier slaapkamers in een nette middenklassewijk toegewezen door de Woningbouwvereniging. Om met kerst gesetteld te zijn, werken we dag en nacht door. Er moet veel geschilderd worden in ons nieuwe huis en we moeten alles nieuw aanschaffen, van meubels tot lampen, schilderijen en keukenapparatuur. We zijn uitgeput maar ook trots als onze woning echt onze woning is geworden en klaar is.

 

Twee jaar later wordt onze dochter Sunny geboren. Een pracht van een meid met veel zwarte haartjes en hele lange nageltjes waarmee ze geregeld haar eigen wang open haalt.

 

In 1998 loopt mijn verbintenis bij Spot af, na een ruzie, tijdens het Eurovisie Song Festival in Birmingham (1998), met een collega-fotograaf die het vriendje is van de toenmalige hoofdredacteur. Na die ruzie worden mijn verhalen niet meer geplaatst. Zonder dat me iets wordt verteld, merk ik dat ik word geboycot. Mijn verhalen worden niet meer gepubliceerd en ik krijg geen opdrachten meer. Mijn motivatie neemt af. Vijf jaar heb ik er gewerkt, als freelancer, en menige bekende Nederlander de stuipen op het lijf gejaagd met mijn roddelverhalen over hen. Opeens is het voorbij.

 

Een half jaar na mijn vertrek bij Spot ga ik voor het concurrerende blad Playlist werken. Eigenlijk ben ik het showbizzgebeuren zat, maar ik vind geen ander werk. Ook blijf ik nog schrijven voor het sportkatern van de krant.

 

Doordat ik veelvuldig ontspanning zoek en wekelijks naar de sauna en zonnebank ga en me regelmatig laat masseren, ga ik me wat beter voelen. De ergste straatvrees verdwijnt en ik voel me iets meer ontspannen en sterker. Ook ben ik niet meer iedere week grieperig. Mijn stressbestendigheid neemt ietsje toe. Maar ik ben nog steeds zo uitgeput dat ik niet kan sporten. Af en toe probeer ik een uurtje te tennissen , maar na een half uur word ik telkens zo moe, duizelig en angstig dat ik het al snel uit mijn hoofd laat. Bovendien ben ik na die inspanning een week prikkelbaar door de vermoeidheid én grieperig en zwak. Ook als ik te lang heb gecomputerd, sla ik op tilt.

 

In 2000 wordt onze zoon Igor geboren, een heerlijk zacht ventje met een in beginsel verkreukeld gezichtje. Ook hij is met de keizersnee gehaald. Vier jaar lang slaapt hij niet goed in en niet goed door. Iedere nacht is een gebroken nacht. Sonny en ik worden gek. We weten niet wat ons kereltje zo tot wanhoop drijft iedere keer als hij in bed ligt. We raadplegen de huisarts, maar die kan niks vinden. We raadplegen paragnosten en die hebben allemaal een andere diagnose en oplossing: volgens de ene ziener krijgt zoon bezoek van geesten en vindt hij dat eng en volgens een ander slaapt hij op een aardstraal en moeten we zijn bedje verplaatsen.

 

Niets helpt. We hebben zelfs door de huisarts zijn tongriempje laten doorsnijden, omdat die te kort zou zijn. Maar ook daarna blijft ons kind huilen, huilen en huilen. Tot overmaat van ramp heeft hij om de haverklap ontstoken amandelen. Sonny en ik zijn aan het einde van ons Latijn en staan elkaar door de oververmoeidheid naar het leven. We maken veel ruzie en ik schop uit pure frustratie een gat in deuren en één keer schop ik Sonny tegen de kont.

 

Ze vergeeft het me allemaal. Ze zegt dat ze weet hoe lief ik kan zijn en ze begrijpt dat ik het doe uit pure onmacht en frustratie. Ik dank God op mijn blote knieën voor haar.

 

Gaandeweg krijg ik steeds meer last van rij-angst op de autoweg. Als ik zelf achter het stuur zit, kost me dat teveel concentratievermogen en kracht. Ik heb geen kracht meer. Vooral op bruggen over water verstikt de paniek me. Een paar keer bots ik tijdens zo’n paniekaanval bijna op een andere auto (ik moet hard remmen en slip), vele malen rijd ik over de vluchtstrook naar de eerstvolgende afslag en terwijl ik geen adem meer lijk te kunnen halen en de angst en paniek volledig bezit van me nemen, moet ik de auto een paar keer echt langs de kant van de weg zetten en Sonny vragen of ze me komt ophalen.

 

Geregeld moet ik tijdens etentjes met het gezin en familie uit restaurants vluchten vanwege paniek en onrust en vanwege het gevoel helemaal leeg te lopen en niets meer te zijn dan een flodderig plastic boterhamzakje met gaten.

 

Ook krijg ik steeds meer last van pleinvrees oftewel van ruimtevrees, de tegenhanger van claustrofobie waarbij je bang bent in kleine ruimten zoals de lift. Zodra ik een brede straat of plein moet oversteken, in de rij bij de kassa moet staan, iemand op straat me staande houdt om een praatje te maken of ik in de file voor het stoplicht sta met de auto, slaat de paniek toe. Ik word dan heel onrustig, krijg het gevoel om te kiepen of op te lossen in het niets, en mijn hele lichaam verkrampt. Ik kan dan bijna niets meer in me opnemen en kom pas weer tot rust als ik thuis ben, in de veilige haven.

 

Het is een crime voor me om bij school te staan en de kinderen van school af te halen. Vaak hou ik me krampachtig vast aan mijn fiets en ga ik zo dicht mogelijk tegen een hek aan staan, zodat ik houvast heb. Meestal kan ik niet in me opnemen wat de moeders allemaal tegen me zeggen. Ik lach en knik en praat wat, maar ondertussen ben ik aan het overleven, aan het strijden, aan het vechten. Ook oudergesprekken zijn een enorme opgave voor me. Ik zie er altijd als een berg tegenop om er naartoe te gaan, bang om weer een paniekaanval te krijgen, bang dat de lerares ziet dat ik me niet lekker voel en ik zie ook gewoon op tegen het gevecht tegen de angst dat zo onnoemelijk veel kracht kost.

 

Op de fiets heb ik eveneens last van pleinvrees oftewel van ruimtevrees. Alle grote, open ruimten zonder beschutting maken me panisch. De gedachte eraan alleen al! Fietsen is dus ook al geen pretje. Wat is wel nog een pretje?

 

Zoon geneest dankzij een behandeling van mijn eerste paranormale genezer. De paragnost zegt dat zoon zich sinds zijn geboorte afschuwelijk voelt doordat zijn hoofd veel te zwaar is voor zijn nek die scheef zou staan. Na één behandeling heeft zoon nooit meer ontstoken amandelen en slaapt hij veel beter in en door.

 

Inmiddels heb ik mijn werk bij de krant gestaakt, omdat ik gek werd van de drukte en deadlines op de redactie. Het was allemaal veel te veel van het goede. Ik liet niets blijken, maar ik had iedere keer het gevoel dat ik zou instorten op de redactie. En het reizen met de auto naar wedstrijden en het bezoeken van de wedstrijden kostten me ook zoveel energie dat ik het niet meer kon opbrengen.

 

Meestal moest ik amateurvoetbalwedstrijden verslaan. Ik durfde nooit op het voetbalveld te staan om een speler of trainer te interviewen op de middenstip of over het veld naar de perstribune te lopen, maar ik wist mijn angsten altijd zo te camoufleren dat niemand leek te merken dat ik pleinvrees had. Ik liep altijd zo vlak langs de reclameborden langs het veld en in bestuurskamers zorgde ik dat ik op de hoek van de tafel zat, zo dicht mogelijk bij de uitgang.

 

Mijn freelance-werk bij en voor Playlist gaat dan nog door. Eén keer per week moet ik met de trein naar de redactie en dan te voet van het station naar het redactiegebouw. De reis alleen al kost me iedere week tien jaar van mijn leven en ik moet er telkens een week van bijkomen. Ik ben niet in staat iets met vrouw en kinderen te doen. Eenmaal opgeladen na een week en weekeinde, moet ik weer de trein pakken. Dat kan alleen maar fout gaan en op een dag krijg ik op de redactie een enorme paniekaanval. De collega’s reageren heel begripvol en lief, maar voor mij is de maat vol. Dit wil en kan ik niet meer. Ik vraag of ik voortaan alleen nog vanuit thuis mag werken en dat vindt de hoofdredacteur gelukkig goed. Ik bel bekende Nederlanders op, interview ze telefonisch en verzend mijn verhalen via de e-mail naar de redactie.

 

Nu ik niet meer hoef te reizen voor Playlist heb ik meer energie voor andere dingen en lukt het me om zonder enorme paniek boodschappen te doen, in de bebouwde kom te rijden en te fietsen en een leuke, meer ontspannen papa en echtgenoot te zijn. Sonny verdient de kost bij een bank- en verzekeringskantoor, maar ook op haar trekt mijn slijtageslag een loodzware wissel. Ze heeft zo ontzettend veel moeten verwerken. Ze heeft me zo vaak moeten steunen. Ze heeft mijn klaaggezang zo vaak moeten aanhoren…

 

En de kinderen krijgen er ook veel van mee (ze hebben te vaak mijn wanhopige, agressieve buien moeten meemaken) en zijn soms bang dezelfde klachten te krijgen als ik. Mijn moeder maakt zich continu zorgen om mij en ook mijn twee zussen grijpt het allemaal heel erg aan.

 

In 2011 is er helaas niet veel werk meer voor me bij het blad Playlist en loopt ook dat af. Sindsdien ben ik huisman/huisvader. Mijn klachten worden door de artsen voor mijn gevoel niet echt serieus genomen en ook uitkeringsinstanties vinden het maar raar en aanstellerij. De verzekeringsarts van het UWV zegt doodleuk tegen mij, met een streng gezicht waarvan de achterdocht af spat: “Gelukkig voor u is uw ‘aandoening’ niet in uw bloed terug te vinden.” Volgens mij suggereert ze dat ik toneel speel en lekker uitkering wil trekken. Ik word ziedend, scheld haar uit en neem de benen.

 

Drie jaar eerder ben ik begonnen met het vervaardigen van blogs op internetfora. Ik schrijf openhartig over mijn lijdensweg, maar ook over politiek, sport en humor.

 

Met mijn vader hebben mijn zussen en ik overigens gebroken. We sturen wel nog verjaardags- en Kerstkaarten. Op afstand kan ik liefde voor hem voelen. Maar ik wil hem ons leven niet meer laten verstoren. Hij zoekt de oorzaak en schuld altijd bij ons, nooit bij zichzelf. We komen er samen gewoon niet uit. Ik gun hem evenwel het beste, natuurlijk. Ik betreur de hele situatie zeer. Er waren tijden dat ik als puber letterlijk het gevecht met hem aanging en het hem met mijn vuisten betaald zette wat hij mijn moeder en ons aandeed. Er waren tijden dat ik hem smeekte om eens ‘leuk’ te doen, hulp te zoeken of bij ons weg te gaan. Maar ook hij was en is een slachtoffer van misschien wel overspannenheid, een vermeende kromgetrokken persoonlijkheid en een eventueel trauma. Ik weet het niet. Ik weet wel dat hij ook hele goede kanten had en niet ontspannen en niet gelukkig was.

 

Enkele van de vele weblogstukken over mijn strijd met pleinvrees, uitputting, psychosomatische ellende en emotionele turbulentie heb ik gebundeld in dit boek. Ik heb telkens gewoon geschreven wat er ik op het moment van schrijven voelde en meemaakte en ik denk dat - nu je de achtergrond kent - heel makkelijk weet waar ik in de niet-chronologische hoofdstukken op doel.

 

Het is mijn missie om eerlijk, taboeloos, zonder zelfcensuur maar wel transparant uiting te geven aan mijn situatie, emoties, gedachten en gevoelens. Ik denk namelijk dat mensen zich in mij kunnen verplaatsen en dat menigeen iets in mijn beleving zal herkennen. Dat hoop ik in elk geval vurig.

 

 

Hoofdstuk 1.

 

Wie getuige is van een misdaad en niets doet om het te voorkomen, is even schuldig als de daders. (Omaha)

 

Hoe leg je aan andere mensen uit wat je mankeert als je hele vage en onbekende klachten hebt zoals pleinvrees en uitputting, letterlijk krakende hersenen, spontane agressieve gedachten en neigingen en tintelende handen en voeten?

 

Bij kanker, ischias, epilepsie, een hartritmestoornis of een hersenbloeding kan iedereen zich wat voorstellen. Het zijn bekende en erkende aandoeningen. De meesten weten nochtans niet wat pleinvrees inhoudt (als ik zeg dat ik pleinvrees heb, vraagt echter bijna niemand wat dit betekent) en de meesten hebben (ook) nooit gehoord van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom, zoals ik mijn uitputting dikwijls noem.

 

Artsen en zelfs psychologen hebben geen flauw benul wat ze met deze kwalen aan moeten en de medemens ziet niet aan me dat ik ziek ben. Integendeel. Ik zie er juist heel erg gezond en sterk uit, en ik lach veel. Ze zien me fietsen, winkelen, wandelen en weten dat ik op reis ga, en ze denken dat ik kerngezond ben. Ze weten niet dat het allemaal gepaard gaat met veel angst en paniek en dat ik dikwijls heel lang moet bijkomen van deze slopende krachtsinspanningen, want dat zijn het voor mij. Alles wat ik doe, voelt als een loodzware opgave en alles wat ik doe moet ik bekopen met meer zwakte, angst, vermoeidheid en paniek.

 

Als ik mensen vertel wat ik mankeer, dan gaan ze daar nooit echt op in. Ik krijg dan ook vaak de indruk dat mensen vinden dat ik overdrijf of dat ik me aanstel. Dat ik lui ben en niet wil werken.

 

Het deed me heel erg veel pijn toen een neefje van mijn echtgenote eens tegen mij zei, zomaar uit het niets: “Oom Duncan is een watje.” Ik kon zijn ouders wel wurgen, want ik had stellig de indruk dat het onterechte maar kwellende waardeoordeel over mij van hen afkomstig was.

 

Gisteravond sprak ik een jongeman - een vriend van onze dochter - aan wie ik uitlegde dat ik huisman ben, omdat ik kamp met pleinvrees, angststoornissen en chronische uitputting.

 

Ik noem mijn uitputting altijd 'het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS)', omdat mijn kapitale vermoeidheid daar het meest weg van heeft (totaal gebrek aan energie en verergering van de kwalen na inspanning), maar de meeste patiënten die aan deze lang niet door iedere medicus erkende kwaal lijden, zijn zowat van het ene op het andere moment ziek geworden en werden/worden steeds zieker, zonder duidelijke oorzaak.

 

Bij mij is de oorzaak van mijn onvermurwbare uitputting evident: mijn tropenjeugd, de vicieuze cirkel en alle rampen en drama’s die in mijn jeugd en daarna hebben plaatsgevonden.

 

Mijn huisartsen hebben mijn aandoeningen nooit een naam gegeven. Ze hebben nooit gezegd dat ik overspannen ben, een burn-out heb of aan het CVS lijd. Eén keer heeft een arts, nogal nonchalant, bevestigd dat ik dan wel aan het CVS zou lijden. Toen ik zei dat ik volgens mij het Chronisch vermoeidheidssyndroom heb, antwoordde hij, niet van zijn papieren kijkend: “Ja, dat zal dan wel.”

 

Misschien kun je in mijn geval eigenlijk beter spreken van een burn-out - van een emotionele, mentale en fysieke burn-out. Omdat ik al een kwart eeuw met deze kwellingen kamp, zou je dan moeten spreken van een chronische burn-out, een burn-out die niet overgaat of een burn-out en/of overspannenheid die zo hevig zijn/is geweest dat ik er blijvende schade van heb ondervonden.

 

Om dàt nou steeds aan iedereen te moeten uitleggen... Daarom hou ik het maar op het Chronisch Vermoeidheidssyndroom. Dan ben ik er in één term vanaf. De ervaring heeft me immers geleerd dat mensen niet meer begrip krijgen voor mijn situatie en ziektepatroon als ik hen een hele gedetailleerde uitleg geef van mijn kwalen, van mijn beperkingen en frustraties en van de ontstaansgeschiedenis van deze verschrikkingen.

 

Meestal is het verspilde moeite en kijken ze me nog net zo glazig aan als aan het begin van mijn uitleg. Trouwens, het is ongelofelijk hoe weinig mensen ooit hebben gehoord van het CVS en van pleinvrees, terwijl wereldwijd miljoenen mensen chronisch vermoeid zijn en er alleen al in Nederland 1 op de 3 mensen in meer of mindere mate last heeft of heeft gehad van een angststoornis.

 

Ik ken overigens nog een man die - net als ik - zo'n enorme burn-out heeft gehad dat hij nooit meer de oude wordt. Hij had een topfunctie als manager, maar raakte hartstikke overwerkt, tot ziekenhuisopnames aan toe. Deze man is gedeeltelijk hersteld, maar komt naar eigen zeggen nooit meer op het 'niveau' van vroeger. Zijn belastbaarheid en stressbestendigheid blijven mager, ook al is het vijftien jaar geleden dat hij min of meer van zijn mega burn-out herstelde, althans zodanig dat hij weer enigszins kan functioneren.

 

Zo is het met mij dus ook. Net als ik heeft die man geleerd om het zich zo gemakkelijk mogelijk te maken en om zich aan zijn ziekte aan te passen. Hij geniet bewuster en meer dan ooit. Maar hij kan nooit meer werken, nooit meer functioneren in de maatschappij zoals de maatschappij dat van mensen verlangt, verwacht en eist.

 

Dat is in elk geval één zuivere lotgenoot die ik persoonlijk ken. Ik ben niet helemaal alleen. Voor de rest lijkt niemand de klachten te hebben die ik heb. De combinatie angst-uitputting lijkt heel uniek te zijn.

 

Welnu, ik sprak dus met die jongeman van 19 jaar en ik vertelde hem in het kort wat ik zoal mankeer. In drie zinnetjes. Hij begon te lachen toen ik zei dat ik het CVS heb. "Oh, dus u bent gewoon lui, net als ik?"

 

Oei, dat deed pijn. Ik vond het weinig empathisch, zijn reactie. Als je zo erg lijdt als ik en iedere dag op blote knieën door het riool van de hel kruipt, dan doet zo'n nonchalante respons echt heel erg veel pijn. Okay, je kan dan wel niet zien dat ik ziek ben, maar ik zit toch geen sprookjes te vertellen?

 

Zijn bagatelliserende reactie was een klap in mijn gezicht. Die lach en dan ook nog die constatering 'lui' er achteraan... Trouwens, bij het (door mij) uitspreken van het woordje pleinvrees had hij ook al moeten lachen. Misschien deels uit ongemakkelijkheid, maar toch...

 

Ik kan het die jongen niet echt kwalijk nemen. Veel mensen weten niet hoe en of ze moeten reageren als je zoiets vertelt en reageren daardoor nogal onbeholpen, tactloos en lomp. Voor mij is dat heel vervelend, want ik heb juist zo’n enorme behoefte aan erkenning, aan begrip en aan medeleven.

 

Ik snap niet wat er te lachen valt als iemand je vertelt dat je niet kan functioneren omdat je pleinvrees hebt en omdat je altijd doodmoe bent. Mensen hebben echt geen flauw benul, geen enkel besef, welk leed er achter termen als pleinvrees en CVS schuil gaat! Hopelijk kan ik daar middels dit boek verandering in brengen.

De jongen vroeg niet door. Bijna niemand doet dat dus. Interesseert het mensen niet?! Zijn ze echt alleen maar bezig met zichzelf?

 

De jongeman - beslist een aardige, beleefde en slimme gast - legde voorts aan mij uit hoe de wereld gered zou kunnen worden en welk politieke systeem in zijn ogen weldadig zou zijn voor de mensheid. Het draaide in elk geval allemaal om een totaal vrije markteconomie, om individuele vrijheid, om spectaculaire groeipercentages en om afschaffing van de overheid (en van het heffen van belastingen). We zouden alles aan het individu zelf moeten overlaten, ook of het bereid is om kansloze mensen en mensen in het nauw te helpen. De visie van de Republikeinen en van een partij als de SGP kwam wat hem betreft het dichtst bij zijn economische ideaalbeeld in de buurt.

 

Ik dacht nog bij mijzelf: 'als jouw politieke geloofsgenoten net zo reageren als jij zojuist bij mij, dan vrees ik het ergste voor mensen die - door voor de buitenwereld vage omstandigheden - niet kunnen functioneren'. Als je als zieke of als dakloze helemaal afhankelijk wordt van de initiatieven van welwillende burgers en niet meer kan terugvallen op een helpende overheid... Ik vrees dan het allerergste. Zeker, als je, zoals ik, gezond oogt, maar niet meer kan. Wie gelooft je dan?

 

Ik maak het dagelijks mee: mensen denken dat ik me aanstel, dat het wel los zal lopen, dat ik gewoon niet wil of gewoon wat harder mijn best moet doen (om te genezen en een baan te vinden). Die mensen zullen me echt geen geld geven als ik niet kan werken! De overheid nu trouwens ook niet meer. Ik krijg immers na mijn WW-uitkering geen arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat de verzekeringsarts van het UWV heeft geconcludeerd dat ik beschikbaar ben voor de arbeidsmarkt. Weliswaar beperkt - 15 uur per week, werkend vanuit thuis – maar dat is precies genoeg om geen uitkering te krijgen. Ik moet dus gewoon maar hopen dat ik ooit aangepast werk zal vinden. Een baantje dat ik thuis kan doen, drie uur per dag verdeeld over de dag!

 

Door deze ziekte heb ik in de smiezen gekregen dat hetgeen er het vaakst ontbreekt aan mensen 'menselijkheid' is. Empathie, inlevingsvermogen, compassie, begrip, hartelijkheid. Ik heb daarom veel respect gekregen voor mensen die wél (mede)menselijkheid tonen. Gelukkig zijn die er ook nog. Ik ben er met een getrouwd. En een van hen heeft me gebaard. Twee van hen mag ik mijn zus noemen.

 

Een mens zonder warmte is voor mij geen fijn mens. Zo iemand heeft voor mij weinig status. Dan kan hij of zij nog zo slim, zo rijk, zo gewaardeerd, geridderd, zo beroemd, zo gestudeerd en zo wijs zijn... Zonder menselijke warmte heeft een mens voor mij weinig (meer)waarde.

 

Het zit gewoon in je of niet, empathie. Als tiener huilde ik voor de tv wanneer ik uitgemergelde kindjes in Afrika zag met een lege rijstkom en een ballonbuik gevuld met niks, opgeblazen door de honger. Reeds als kind ging er een inktzwarte bliksemflits door me heen als ik hoorde dat er weer een flink stuk bos was gekapt of als er opnieuw een natuurvolk was ontdekt (met alle nare gevolgen voor dat volk van dien).

 

Empathie heb ik zelf best veel, maar nu ik door mijn situatie empathie van anderen nodig heb, merk ik dat het daar dikwijls aan ontbreekt, vooral bij instanties, psychologen en artsen. Natuurlijk kun je alle menselijke eigenschappen ontwikkelen en verwaarlozen en ik denk dat bij mij de empathie - door wat ik zelf heb meegemaakt - erg is ontwikkeld, misschien wel té. Soms lijd ik echt onder de ellende van anderen, al heb ik geleerd dat je je niet ieders leed evenveel kan aantrekken.

 

Ik meen evenwel dat de wereld gevoelige naturen zoals ik kan gebruiken, al is het goed dat niet iedereen zo zacht is. Er moeten ook rauwdouwers zijn die van aanpakken weten en die praktische klussen klaren en er moeten ook koele kikkers zijn die zonder blikken of blozen een harttransplantatie kunnen uitvoeren.

 

Met een beetje meer algemene empathie zouden meer mensen zich wellicht beter voelen. Er is zoveel zichtbaar leed en verborgen leed. Soms lijkt het wel alsof bijna iedereen er onverschillig onder blijft, alsof iedereen alleen maar bezig is met de nieuwste iPhone, het verbouwen van het huis en met op Facebook zetten waar ze nu weer heerlijk hebben gegeten.

 

Vanochtend lazen we in een krant dat een 19-jarig meisje uit een dorp in de omgeving zelfmoord heeft gepleegd. Volgens mensen die het gezin kennen, komt ze uit een liefdevol en warm gezin, maar had het meisje psychische problemen. Zulke grote problemen dat haar ouders altijd rekening hebben gehouden met een mogelijke zelfdoding van hun kind.

 

Wat moet dat trouwens vreselijk zijn, als ouder. En wat moet dat meisje door een hel zijn gegaan. Een hel die ik helaas maar al te goed van binnen ken. Ieder jaar in november vraag ik mij heel intens af of ik de volgende zomer zal halen. Of ik dan niet reeds zal zijn bezweken aan de stress. We weten allemaal dat stress dé ziekteverwekker is. Stress kan dodelijk zijn. Stress kan gek maken. Ieder jaar in november vraag ik mij ook af of ik nog wel een jaar vooruit kan en WIL. Kan en wil ik het nog een jaar opbrengen om dag in dag uit moe en paniekerig te zijn?

 

Ik weet niet welke psychische problemen het meisje had dat zelfmoord pleegde, maar blijkbaar had het in haar geval niets te maken met het gezin waarin ze opgroeide. Ze zou een hele goede band hebben gehad met haar ouders en met haar broertje en zusje. Echter, er zijn zoveel andere oorzaken waardoor iemand psychische problemen kan ervaren: een laag zelfbeeld, een psychiatrische aandoening, Weltschmerz (overweldigd worden door de ellende en waanzin in de wereld - de aarde is immers niet altijd een rooskleurige en veilige plek) of 'gewoon' een aangeboren of later ontstane verstoring van de hormoonhuishouding.

 

Het meisje is overal vanaf. Hoop ik, voor haar.

 

Als het om zulke immens trieste berichten gaat en je spreekt mensen erover, dan merk je meteen wie empathie heeft en wie niet, wie begrip kan voelen en wie niet.

 

Ik sprak een vrouw - zo'n wijsneus die alle geheimen over leven en dood meent te kennen - volgens wie iedere zelfmoordenaar na de dood in een zwarte dimensie terechtkomt, terwijl een andere vrouw zei zich te kunnen voorstellen dat een mens zo wordt overweldigd door de pijn dat hij of zij uit het leven stapt.

 

Er zijn zelfs mensen die zelf ooit in de put hebben gezeten maar die eenmaal weer uit die put geen enkel begrip hebben voor mensen die na hen in die put belanden of zitten.

 

Als je, zoals ik, ziek bent en aan een ziekte lijdt anders dan de categorie invaliditeit, kanker, een hartkwaal, suikerziekte, Alzheimer of Parkinson - lichamelijke ziekten, erkende ziekten, ziekten waar iedereen zich iets bij kan voorstellen - dan merk je dat een groot deel van je humeur en van je welzijn afhangt van de reacties en het begrip van andere mensen. Van UWV-artsen, van huisartsen, van politici die je aanschrijft, van specialisten, van buren, van familie, van vrienden, van werkgevers, van collega's.

 

Helaas laten veel mensen - ook hele vriendelijke mensen - op dit punt hele gure kou door je vensters naar binnen waaien.

 

Het zijn echt de uitzonderingen van vlees en bloed die je een extra behaaglijk gevoel bezorgen. Het algemene niveau van 'menselijkheid' is buitengewoon laag. De mensheid is nog niet ver gekomen wat dat betreft. Het nieuws op Het Journaal duidt dat trouwens significant aan, iedere dag weer.

 

Hoe leg ik uit wat ik mankeer? Is dat wel nodig? Immers, de meeste mensen vragen niet door als ik vertel pleinvrees te hebben en chronisch uitgeput te zijn, willen er het fijne niet van weten, tonen weinig interesse en er zijn er een hoop die laten merken dat ze je maar een aansteller vinden en dat je niet zo moet zeuren. Zelden zegt iemand: “Wat erg voor je,” “wat knap van je dat je toch zoveel doet.” of: “hoe is dat nou allemaal ontstaan?”

 

Lijden is vaak heel eenzaam. Je strijd en je strijdlust worden dikwijls niet gezien en niet erkend. Zelfs niet geloofd.

 

Hoofdstuk 2.

 

Gedachten zijn als pijlen; eenmaal losgelaten, treffen zij het doel. Bewaak ze goed of op een dag ben je zelf het slachtoffer. (Hopi)

 

Nadat ik jarenlang heb gezwegen over mijn beperkingen en situatie, zelfs tegen mijn collega’s en tegen mijn vrouw, voel ik sinds een jaar of vijf de sterke behoefte om aan iedereen te laten weten wat ik doormaak. Alle mensen mogen weten hoe het met me gaat, wat me is overkomen en welke gedachten, emoties en gevoelens ik beleef. Na het verstoppertje spelen, ben ik een emotionele exhibitionist geworden. Ik geef mezelf in mijn blogs op internet en op Facebook helemaal bloot.

 

Sommigen zal mijn tegenwoordige openhartigheid beslist een doorn in het oog zijn. Wellicht beschouwen zij mijn transparantie als emotionele porno. Velen zullen vinden dat je privézaken voor jezelf moet houden of toch zeker in kleine kring moet bespreken, voor intimi moet reserveren. Mijn oudste zus heeft een paar keer tegen me gezegd dat Facebook niet is bedoeld om zulke zware onderwerpen op te ‘behandelen’. Ze verweet me zelfs dat ik haar (stief)kinderen zou bezwaren, dat ik hen met mijn openhartige teksten minder onbevangen zou maken.

 

Ik begrijp dat mijn bekentenissen en uitingen heel erg confronterend zijn en verre van gezellig zijn. Maar ik moet toch mijn ei kwijt? Ik kan toch niet altijd alleen maar mijn vrouw belasten met mijn pijn? Moet ik haar vrachtwagentje steeds volladen met mijn ellende? En waar moet zij dan met een overvolle truck naartoe? Waar moet zij mijn afval dumpen? Zij heeft ook alleen mij om haar gevoelens mee te delen…

 

Het lucht mij op om via het geschreven woord mijn hart te luchten. Als ik de ellende van me heb afgeschreven, kan ik weer blijdschap voelen en komt er in mijn geest ruimte voor het positieve.

 

Echter, ik heb er mijn missie van gemaakt om openhartig te zijn. Als wij mensen elkaar veel meer in vertrouwen zouden nemen, als we taboeloos de werkelijkheid zouden uitwisselen en wanneer we onze maskers zouden afdoen, dan zouden we erachter komen dat we allemaal heel veel dezelfde verlangens, behoeften, gedachten en gevoelens gemeen hebben. Dan zou er meer verbinding tussen mensen kunnen ontstaan.

 

Er zit wel een beetje een rebel in mij. Omdat ik merk dat de meeste mensen zich verschuilen achter pantsers van zogenaamde vrolijkheid en van positivisme schrijf ik geregeld zonder terughoudendheid over mijn grieven en pijn. 

 

Toch hoop ik vooral op meelevendheid en op troostende woorden. Mijn behoefte aan begrip en erkenning voor mijn lijden en strijdlust zijn heel erg groot. Daarom doet het me dikwijls heel erg veel pijn dat mensen, zelfs familieleden, amper vragen hoe het met me/ons gaat, zelden doorvragen en weinig rekening lijken te houden met mijn beperkingen. Hun interesse LIJKT gering.

 

Ik heb mijn zussen en hun partners wel vaker verweten dat ze nooit naar mijn wel en wee informeren (terwijl ik altijd naar hun sores luister en naar hun leven informeer) en dat ze nog steeds geen goed beeld lijken te hebben van mijn situatie. Twee keer hebben we daar ruzie over gekregen. Eén keer zo heftig dat  we het contact even verbraken. Mijn zussen zeggen dan steeds dat ze juist heel erg meeleven, maar dat ze niet weten wanneer ze erover moeten beginnen. Mijn oudste zus verwoordde het als volgt: “Het is alsof we het nooit goed kunnen doen bij jou. Ik weet dat je gedrag voortkomt uit je pijn, maar ik ben het zat om steeds op mijn tellen te moeten passen en verwijten te krijgen.”

 

Nog steeds wordt er door mijn bloedverwanten amper naar mijn/onze persoonlijke situatie geïnformeerd en nog altijd praten mijn zussen voornamelijk over hun eigen kwalen en leven. Ik ben ook meer een luisteraar dan een prater, moet ik toegeven. Ik kan me beter uitdrukken via het geschreven woord. Dus dat doe ik dan maar, want de behoefte om me te uiten en om gevoelens uit te wisselen, is groot.

 

Op Facebook schreef ik vandaag hoe klote ik me op dit moment voel. Een paar mensen, onder wie mijn oudste zus, wensen me kracht en licht. Het doet mij goed dat ze reageren, maar mijn strijd gaat verder. Ik voel me morgen ‘gewoon’ weer zo slecht.

 

Lijden is altijd eenzaam. Als je in het ziekenhuis ligt komen mensen, vaak goedgemutst, op bezoek, met het voornemen je eens even op te monteren met hun positivisme, bemoedigende woorden en blijdschap. En met hun fruitmandje.

 

Dat doen ze voornamelijk voor henzelf, want ze hebben geen zin in geweeklaag. Je moet niet hun goede humeur verpesten. Bovendien zijn ze diep van binnen zo bang als de pest dat ze zelf ooit in dat ziekbed komen te liggen. Daar willen ze liever niet mee geconfronteerd worden.

 

Maar na een uurtje gaan ze weer weg en dan lig je daar weer met je ziekte, met je pijn, met je angst en met je frustraties. En dan ben je afhankelijk van de hulp die de zusters en verplegers je bieden omdat ze daar voor betaald worden. Zij knappen het vuile werk op, maar dat doen ze ook alleen maar omdat ze hun hypotheek moeten betalen...

Lijden is zo eenzaam...

 

Altijd.

 

Jij hebt het en jij moet het ondergaan.

 

Wel degelijk heb ik een tijdlang de tactiek beoefend om over alleen maar leuke aangelegenheden en roze gevoelens te schrijven. Dat wat je aandacht geeft, wordt groter, zeggen ze. Dus ik dacht: 'als ik louter schrijf over mijn geluk en over meevallers, dan word ik misschien vanzelf beter'.

 

Maar dat weldadige effect had de positivo-aanpak niet. Het enige wat ik ermee bereikte, is dat ik alleen maar schreef over de zonnige kant van het leven. Niets meer en niets minder. Mijn leven voelde en voelt nochtans helemaal niet als zonnig.

 

Moedeloos word ik ervan dat ik, net als zoveel andere zieken, steeds weer tegen mijn beperkingen en ziektesymptomen aanloop. Ik hoef maar een minuut over mijn energiegrens heen te typen en ik merk het meteen: dan ben ik prikkelbaarder, begint de linkerzijde van mijn hoofd en nek pijn te doen en heb ik een koortsig gevoel zonder daadwerkelijk temperatuurverhoging te hebben. Zo nauw luistert het écht.

 

Het schrijven van dit boek is ook heel erg ingrijpend. Het vervaardigen van een schrijfwerk kost iedereen bloed, zweet en tranen en daar heb je energie voor nodig. Je moet enigszins lekker in je vel zitten om te kunnen werken. Brandstof heb ik niet voldoende en mede daardoor zit ik nooit echt lekker in mijn vel. Tijdens het schrijven en redigeren van dit boek heb ik me continu slecht gevoeld: prikkelbaar en nog angstiger dan normaal. Bovendien had ik veel minder energie (over) voor andere dingen, zoals het huishouden en voor de kinderen.

 

Mijn beperkingen en de symptomen van mijn kwalen zijn zo dominant dat ik er mijn handen vol aan heb en dat ik er niet veel meer tegenslag en stress en taken bij kan hebben.

 

Kleine tegenvallers ervaar ik als grote drama's, omdat ze bovenop die Himalaya aan basisdrama komen. Toen mijn in eigen beheer uitgegeven boekjes 'Roerig’ en 'Mixer' na voorzichtige, lokale mediabelangstelling op geen enkele interesse van de lezer bleken te kunnen rekenen, was dat een enorme klap in mijn gezicht. Een dreun die nog steeds nadreunt.

 

Zoals bij alle tegenslagen en bij alle slecht nieuws wordt het eerst helemaal pikkedonker. Je ziet geen hand voor ogen meer. Je staat tegenover een muur van zwart. Je kan geen kant op. Je brein lijkt te zijn uitgeschakeld. Alleen maar ontreddering.

 

Gaandeweg leer je zien in het donker en leer je op de tast de weg te vinden in dat duister. Gelukkig zijn er dan mensen die met hun zaklantaarn naast je willen lopen.

Maar het is frustrerend als je het gevoel blijft houden dat het nooit meer écht licht wordt.

 

Door die zenuwinstorting ongeveer een kwart eeuw geleden, na een helse rampjeugd, is het alsof alle zwakke plekken van geest en lichaam helemaal bloot zijn komen te liggen en nooit meer (voldoende) bedekt en beschermd kunnen worden.

 

Regelmatig ga ik over mijn energiegrenzen heen. Mijn wilskracht is te groot om te leven als een 90-jarige in het bejaardentehuis. Ik ben iemand van alles of niets en kan niet steeds kleine beetjes doen. Ik wil doorwerken! Of ik nu de tuin doe of een stukje tik, ik wil niet 's morgens tien minuutjes wat doen en 's middags weer tien minuutjes, omdat mijn accu altijd bijna op is.

 

Ik wil gewoon een uur achter elkaar kunnen werken! Maar dat moet ik telkens bekopen met verergering van mijn kwalen!

 

Qua energievolume ben ik te klein voor het laken en te groot voor het servet. Ik kan wel iets, maar niet genoeg. Ik heb teveel energie om hele dagen op bed te liggen, maar ik heb te weinig energie om normaal te kunnen functioneren.

 

Integendeel, van iedere inspanning krijg ik een klap en natuurlijk al helemaal als ik een beetje of veel teveel over mijn grenzen heen ben gegaan.

 

Het zijn ook zoveel klachten: rij-angst, pleinvrees, paniekaanvallen, uitputting, een agressieve dwangstoornis. Zomaar uit het niets kan ik de neiging krijgen te gaan slaan en schoppen. Ik doe het nooit en ik schrik zelf heel erg van die neigingen, maar ze zijn er wél. Hels!

 

Hoofdstuk 3.

 

Wanneer wij respect tonen voor andere levende dingen, dan zullen zij dat respect beantwoorden (Arapaho).

 

Iedere dag doe ik aan fobietraining. Ik dwing mezelf naar buiten te gaan en mezelf met mijn angsten te confronteren. Ik wil geen vermijdingsgedrag vertonen, want hoe meer je een beangstigende situatie uit de weg gaat, hoe moeilijker het wordt om ooit die drempel weer over te gaan en je in zo’n situatie staande te houden. Dat merk ik als ik een weekje zo ziek ben geweest dat ik niet naar buiten kon gaan. De angsten buiten zijn daarna steevast heviger. Een weekje niet kunnen ‘oefenen’ of trainen, komt me duur te staan! Wat ik daarvoor had opgebouwd aan zelfvertrouwen en gewenning, lijkt dan als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen.

 

Vanmorgen had ik de auto weer in de buurt van het CS Rurdam geparkeerd met als doel van daaruit naar het station te wandelen en daar de Metro mee te nemen. Mijn grote, stevige, lange paraplu nam ik mee. Zonder dit attribuut gaat het gewoonweg niet. Ik moet houvast hebben. iets waar ik me letterlijk aan kan vastklampen. En die paraplu is een soort van noodzakelijk derde been, een stabiel derde been, want als ik wandel dan voelen mijn benen aan alsof ze dronken zijn. Zeemansbenen. Door de angst en de spanning verlies ik blijkbaar deels de controle over mijn onderste ledematen en een stukje van mijn evenwichtsgevoel.

 

Al heel snel voelde ik dat het weer niet echt lekker ging. Mijn benen voelden loodzwaar aan, ik had het gevoel amper vooruit te komen. Mijn lichaam was broeierig en ik had vlekken voor mijn ogen. Toch zette ik door. De eerste oversteekplaats, bij het stoplicht voor fietsers en voetgangers naar de overkant van de straat, boezemde me meteen angst in. Lichte paniek: dat red ik nooit! Zo weids, zo druk. Bovendien heb ik altijd het gevoel dat iedereen naar me kijkt en dat ze me uitlachen omdat ik als enige op een mooie dag met een paraplu rondloop. In werkelijkheid zijn andere mensen niet zo met je bezig of zijn ze je in hun ogen gekke gedrag heel snel vergeten, maar ik kijk eigenlijk voortdurend met een vergrootglas naar mijzelf en microscopisch door de ogen van anderen naar mij.

 

Nerveus, gespannen, angstig en ongeduldig wachtte ik totdat het stoplicht op groen zou springen zodat ik weer kon lopen. Stilstaan lijkt de angst te verergeren. Eigenlijk wil ik altijd zo snel mogelijk weer terug bij de auto zijn, in 'veiligheid' zijn.

 

De weidse overkant gaapte me aan als een grote opengesperde leeuwenbek. 'Dat red ik nooit', dacht ik paniekerig. 'Op dat open stuk klap ik in elkaar, dan wordt de angst me te machtig'. En dus sneed ik de weg af, gedeeltelijk over de rijweg voor auto's, zo snel mogelijk de tunnel in. De tunnel staat symbool voor beschutting, al krijg ik in tunnels ook soms paniekaanvallen, vooral als er veel mensen in lopen en met name als ik mensen in mijn rug voel.

 

Het ergste is dat ik nergens echt van kan genieten. Het genieten wordt me door al die irritante en dominante kwalen immers volstrekt onmogelijk gemaakt. Normaal gesproken, in goede doen, vind ik het leuk om te wandelen, om de ochtend op gang te voelen komen en om mensen te kijken. Liefst mooie of aparte mensen.

 

Afgezien van mijn kwellingen heb ik het helemaal niet zo slecht: een leuk gezin, een fijn huis, twee leuke auto's, heerlijke vakanties... Ik ben dankbaar, ik geniet van de kleine dingen, ik waardeer schoonheid, vriendschap en liefde... Ik ben vredelievend en ijver voor een schonere, vredige wereld. Ja, ik kan best zeggen dat ik mezelf een lief en mooi mens vind. Ooit had ik enorm veel zelfhaat en leed ik aan een giga-minderwaardigheidscomplex, maar ik heb geleerd mezelf te appreciëren.

 

Het zou dus zo mooi kunnen zijn. Veel mooier dan het nu is of moet zijn. Zonder al die verschrikkingen, iedere dag weer, 24/7.

 

Ik liep sneller dan ik eigenlijk wilde. Ik rende bijna. Opgejaagd, haastig, met lichte, onderdrukte paniek. Mijn benen liepen, maar het was alsof ik geestelijk geen controle had over mijn ledematen en over de snelheid waarmee ik liep. Een akelig gevoel.

 

Mijn benen zwabberden. Op een gegeven moment dreigde ik om te vallen in de tunnel. Evenwichtsstoornis. Ik bleef even staan, probeerde te kalmeren en plantte de paraplu zo hard mogelijk op de tegels. Houvast. Doorlopen. Zo dicht mogelijk langs de muurtjes en gevels af.

 

Heb ik die pleinvrees door het gebrek aan geborgenheid tijdens mijn jeugd? Door het constante gevaar in die privéoorlog van mijn ouders en door mijn overspannen, agressieve vader? Staat die open ruimte symbool voor gebrek aan bescherming, aan beschutting? ben ik als kind - als zeer gevoelig kind nota bene - veel te vaak en veel te hevig blootgesteld aan spanningen en gevaar?

 

Ik weet het allemaal niet. Ik weet niet waarom ik deze onbenullige, onverklaarbare, volkomen onlogische, irrationele agorafobie heb. Maar ja, als je emotioneel en psychisch gewond raakt, krijg je vroeg of laat ergens last van, lichamelijk en/of geestelijk. Wat je krijgt, dat is de vraag. Dat is heel individueel. Het is kennelijk maar net wat je zwakke plek is.

 

Nadat ik de Metro bij het station had gepakt, liep ik nog een stukje door, langs de mooie negentiende-eeuwse herenhuizen. Ik wilde eigenlijk een rondje lopen zodat ik niet dezelfde weg terug zou hoeven te lopen (saai), maar ik bedacht me dat ik dan de grote spoorwegovergang zou moeten oversteken, te voet. Dat idee was me te machtig. Ik had daar nu echt de kracht niet voor. Dan zou ik weer zoveel angst en zoveel lichamelijke sensaties het hoofd moeten bieden... nee!

 

Het ging al niet lekker. Als ik nou een sterke dag had gehad had ik het wellicht aangedurfd, maar niet nu.

 

Met de auto durf ik het brede spoor wél over te steken. Met de fiets ook, maar dan is de angst al heviger dan in de wagen. Alsof de angst bezit van me neemt en me helemaal in elkaar drukt... Op de fiets durf ik namelijk ook niet op open stukken te gaan. Op een smal fietspaadje gaat het wel, maar niet tussen bijvoorbeeld de weidse akkers, niet over vlakke stukken zonder huizen en bomen. Het is letterlijk ruimtevrees, het tegenovergestelde van claustrofobie.

 

Soms probeer ik wel op open stukken te pedaleren, maar die angst en die paniek komen altijd. Soms moet ik dan onderweg Sonny bellen om te vragen of ze me met de auto komt ophalen. Meestal fietst zij dan terug naar huis en neem ik de auto.

 

Mijn rij-angst is ook al zo raar. Als ikzelf achter het stuur zit, lukt het me niet om over de autoweg te rijden. Ik denk dat het te stressvol is. Mijn basisspanning is zo hoog dat er niet de minste geringste stress bij kan. Op een autoweg moet je nog alerter zijn. Je rijdt immers harder. Bovendien zijn autowegen breed en kun je, als je je niet lekker voelt, niet zomaar langs de kant van de weg gaan staan. De volgende afrit is meestal vele kilometers verder weg. Je kunt dus niet 123 vluchten. Vroeger als kind kon ik ook nergens heen, nergens heen om te vluchten, weg uit die kolkende hel...

 

Als ik naast de bestuurder zit, durf ik inmiddels wél op de autoweg te vertoeven. Er is een tijd geweest dat zelfs dàt met hevige paniekaanvallen gepaard ging. Ik heb dus wel al stapjes gemaakt, maar een echte grote positieve genezingsdoorbraak blijft vooralsnog uit.

 

Ik draaide me tijdens mijn ochtendwandeling vanmorgen om teneinde dezelfde weg terug te lopen. Een druk op mijn borst voelde ik. Ergens wist ik wel dat het 'gewoon' weer die rotstress was, maar iets in mij was toch ook bang dat ik een hartaanval zou krijgen (ik ben als de dood voor ziekenhuizen, operaties, pijn, narcose, nog meer onheil). Verdorie, ik wil gewoon gezond en gelukkig zijn!

 

Ik ben eigenlijk continu bevreesd dat al die stress me ooit fataal wordt en vroeg of laat resulteert in een hartstilstand of in een hartaanval. Er is een tijd geweest dat ik nog veel heviger hypochondrisch was, maar ook dat is wel wat afgenomen.

 

Nogmaals, ik heb echt wel wat stapjes gemaakt. Jarenlang heb ik 's avonds en 's nachts hele hevige doodsangsten gehad, dat ik ineens oorverdovend begon te schreeuwen omdat ik mijzelf als skelet lag liggen of omdat ik heel intens besefte dat je er na je dood echt niet meer bent en dat je dan je gezin nooit meer zal zien, zal kunnen knuffelen...

 

Als je het goed nagaat, woedt er een wereldoorlog in mijn hoofd. Al 25 jaar.

 

Voor die tijd had ik een veel beroerder leven - thuis bij mijn ouders - maar pas daarna heb ik de tol moeten betalen voor al die drama's, stress, agressie en spanningen thuis.

 

Waar is al dat lijden goed voor? Ja, lijden kan beslist louterend zijn, maar er zijn vele vormen van lijden. Heel veel lijden schaadt, maakt slachtoffers, vermoordt en is volstrekt zinloos. En waarom lijdt de een heel erg en heel lang en de ander slechts heel kort en/of mondjesmaat? Waarom heeft de een zoveel geluk en de ander niet? Dat ligt echt niet alleen aan iemands instelling! Zo maakbaar is de mens niet. Het geluk al helemaal niet.

 

Toeval, willekeur, invloeden van buitenaf, pech en geluk. Samenloop van omstandigheden. Die factoren spelen eveneens een hele grote rol.

 

Hoe dan ook, ik was vanmorgen blij toen ik weer in de auto stapte. Ik had het weer gered zonder hele hevige paniekaanval en zonder in elkaar te storten. Alhoewel, 'blij' is beslist niet het goede woord want veel liever had ik een wandeling gemaakt van twee uur en lekker genoten van de omgeving, van het leven.

 

Nu had ik een kwartiertje lopen zwoegen en zweten, lopen hangen en wurgen...

 

Hoofdstuk 4.

 

Als je denkt dat alles tegenzit, denk dan eens opnieuw (Indianenspreekwoord).

 

Als iedereen om je heen gezond lijkt te zijn of als niemand die je persoonlijk kent de klachten lijkt te hebben die jij hebt, dan voel je je soms heel alleen op de wereld. Dan doet het goed om eens iets herkenbaars te horen of te lezen. De hele wereld lijkt maar door te denderen, terwijl jij tot stilstand wordt gedwongen door je angsten en energiegebrek. Als je dan iets leest waardoor je voelt dat je niet de enige bent, dan verzacht dat toch een beetje de pijn.

 

Momenteel ben ik het boekje 'Bange Helden' aan het lezen van freelance journaliste Wies Enthoven. Zij beschrijft haar leven met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en de spijkerharde drempelweg naar genezing.

 

De auteur verhaalt over de miserkenning door de reguliere artsen, de wondere wereld van de alternatieve 'genezers', de lichamelijke en praktische beperkingen, de frustraties, de wanhoop, het onbegrip, de hulp van vriendinnen, maar ook de moed, de levenslust en de veerkracht.

 

Veel in het boek is voor mij uitermate herkenbaar en dat is een troost. Het doet goed om je eigen belevenis uit de mond van een ander te horen of uit de computer van een ander te lezen.

 

Mijn situatie is heel anders dan die van de schrijfster van dit goed geschreven boek, en toch zijn er grote overlappingen, vooral op emotioneel gebied.

Ik ben ook nog eens fobisch (bij chronisch vermoeid) en mijn klachten zijn veel meer psychosomatisch van aard.

 

Bij Enthoven lijkt de oorzaak voornamelijk lichamelijk van aard (na een bevalling), terwijl ik eendere symptomen heb als zij, maar als gevolg van een traumatische tropenjeugd (emotioneel en mentaal).

 

Heel veel verschillende ziekten hebben dezelfde symptomen of soortgelijke symptomen: een candida infectie, een lage bloedsuikerspiegel, een voedselintolerantie, ADD, hyperventilatie, vitamine B-tekort, burn-out, overspannenheid, CVS, overwerktheid, overbelasting...

 

Vaak hebben mensen met dit soort symptomen meerdere van deze aandoeningen tegelijk.

 

Natuurlijk is het belangrijk te achterhalen aan welke aandoening(en) je nou lijdt en wat de oorzaken zijn of waren, maar veel belangrijker is de vraag hoe je je lijden kan verlichten en hoe je je fitter kan gaan voelen.

 

Die zoektocht naar verlichting is helemaal niet simpel. Er zijn namelijk heel weinig echte experts op dit terrein van 'vage' aandoeningen. En de meeste specialisten hebben geen holistische werkwijze, doch beperken zich tot hun kennishokje. De longarts controleert alleen je longen, de cardioloog alleen je hart, de voedingsdeskundige kijkt alleen naar je eetpatroon… De patiënten zelf worden experts. Ze zijn de enige (ervarings)deskundigen.

 

Duidelijk is dat de kwalen die ik heb genoemd, frequent voortkomen uit een verstoring in de energiehuishouding van het lichaam (en de geest). Mensen die aan deze misère zijn blootgesteld, zullen op alle fronten hun levenswijze moeten aanpassen: gezonder moeten eten en beter dienen te kauwen, hun grenzen dienen te bewaken, op tijd rust moeten nemen, zich minder moeten haasten, moeten temporiseren, de energie dienen te doseren en ga zo maar door.

 

Enthoven paste haar leven ook aan haar kwaal aan, maar zij heeft iemand gevonden die haar kon genezen, namelijk een Engelse acupuncturist. Dat geluk heb ik nog niet gehad. Ik gun het haar, maar was mij dat ook maar overkomen! Al denk ik dat in mijn geval alleen ikzelf dé genezer kan zijn. Dat heeft het (recente en verre) verleden eigenlijk reeds uitgewezen.

 

Ik ben nu 50 jaar en kamp al met mijn klachten sinds mijn 18de. Vrijwel iedere vooruitgang in mijn leven komt uit eigen koker en dankzij de steun van vrouwlief.

 

Natuurlijk heb ook ik alles en iedereen in het medische circuit (uit)geprobeerd om verlichting en verlossing te vinden. Ik heb op advies van therapeuten edelstenen gedragen, ik heb suikervrije en glutenvrije diëten gevolgd, ik heb op aanraden van een psycholoog op bruggen staan schreeuwen om de woede te uiten, er was een alternatieve arts die me aanmoedigde met een fles wodka onder de brug te gaan liggen, ik ben bij psychologen, neurologen en cardiologen geweest, ik heb op advies van een alternatieve genezer vaak staan bidden bij het water, ik heb met mijn voeten op de grond gestampt en een zogenaamd genezende knuffelsteen in huis gehaald.

 

Ik heb in eigen Provincie traditionele Chinese artsen bezocht die me thee lieten drinken dat naar zeewier en naar rivierstenen smaakt, ik heb Bachbloesems, homeopathie en kruidentherapie geprobeerd... Noem het maar op. Je kan het zo gek niet bedenken, of ik heb het gedaan. Het zette geen zoden aan de dijk. Helemaal niet.

 

Allemaal hocus pocus uit de alternatieve hoek, terwijl de reguliere geneeskunde zich met dit soort klachten en vooral met dit soort patiënten geen raad weet (de interesse en het begrip van de witte jassen zijn zeer gering en dat is uitermate frustrerend - dat tergende gevoel niet serieus genomen te worden en aan de kant geschoven te worden: zoek het je maar uit!).

 

Waar ik uiteindelijk mee vooruit ben gekomen, is Ontspanning met een hele grote O: sauna, massage, relaxstoel, wandelen, muziek luisteren. Plezier met een hele grote P: uitstapjes maken, uit eten gaan, reizen, gezelligheid thuis.

 

Veel heb ik gehad aan het boek 'Hoog Sensitieve Personen' van de Amerikaanse psychotherapeute Elaine N. Aron (op advies van een eerstelijns psychologe). Sinds ik dat boek heb gelezen, begrijp ik mezelf veel beter, heb ik veel meer inzicht in wie ik ben, in wat ik doe en waarom ik dingen beleef zoals ik ze ervaar. Hoog sensitieve personen beleven alles heel intens: alle geluiden, alle gedachten, alle emoties, al het visuele, de bijwerkingen en neveneffecten van medicijnen en van koffie, echt alles. Dat kan heel overweldigend zijn. Aron schrijft in haar boek dat zeer gevoelige naturen die als kind aan teveel stress hebben blootgestaan dikwijls een fobie ontwikkelen. Dat klopt in mijn geval als een bus. Dat boek was dus een openbaring.

 

Maar hoe je het dagelijks leven invult en hoe je omgaat met je situatie, dat moet je toch vooral zelf uitvogelen. Geleerd heb ik om sneller over teleurstellingen en over paniekaanvallen heen te stappen en om daarna gewoon door te gaan. “Morgen weer een dag. Dan gaat het hopelijk beter.” Onder de knie heb ik gekregen om minder na te denken en minder te psychologiseren, mijn grenzen beter te bewaken en 'nee' te zeggen tegen mensen en activiteiten in wie en waarin ik (op dat moment) absoluut geen zin heb.

 

Enthoven schrijft terecht dat lijden ook een louteringsproces is of kan zijn. Ook dat is herkenbaar. Het worstelen met jezelf en met je aandoeningen is vooral heel naar en vervelend, maar gaandeweg leer je heel veel over jezelf, je medemens en over het leven. Dat neem je allemaal mee in je bagage. Een grotere bewustwording maakt gelukkiger.

 

Het lezen van het boek ‘Bange Helden’ heeft me een beetje meer moed en energie gegeven. Wat zou het mooi zijn als mijn eigen boek ook inspirerend kon zijn voor andere mensen tijdens een moeilijk leven of tijdens een turbulente levensfase. Iets kunnen betekenen voor een ander… Ik heb dat altijd gewild. Als kind steunde ik mijn moeder. Ik vrolijkte haar op en ik gaf haar raad. Ik praatte haar moed in, als ze weer eens verdrietig en ongelukkig was. Dankzij mij bleef ze wat beter op de been. Ook dankzij de liefde van en voor mijn twee zussen natuurlijk. Ik heb altijd de hele wereld willen redden, totdat ik zo in de knoei kwam met mijzelf dat ik vooral mijzelf moest redden. Als tijdens mijn zelfreddingsactie ook een paar lezers worden ‘gered’, dan mag ik en kan ik al heel tevreden zijn!

 

Hoofdstuk 5.

 

Ik heb dingen geleerd waarvan ik niet wist dat ik ze wou weten (William Least Heat-Moon – Indiaanse auteur).

 

Vaak zakt me de moed in de schoenen. Die angsten gaan maar niet weg, ik blijf energieloos en niets lijkt mee te zitten. Alleen maar uitzicht op de uitzichtloosheid. Gedachten over de dood en over zelfmoord spoken dan ook iedere dag even door mijn hoofd.

 

Ik zit natuurlijk heel erg veel alleen thuis waardoor ik continu op de lip zit van mijn eigen emoties en gedachten. Overdag zijn de kinderen naar school en is Sonny werken. Vrienden heb ik niet en wil ik ook niet. Ik vind het onbevredigend en vermoeiend om vriendschappen te onderhouden en heb genoeg aan de contacten met mijn gezin en familie en aan de gesprekjes met mensen in de supermarkt, bij de bank en in de straat. Ik kan heel erg goed alleen zijn en vind het lekker om alleen te zijn, maar iedere dag van acht uur ’s morgens tot vier uur ’s middags helemaal niemand om je heen hebben, is zelfs voor mij teveel van het goede. Ik heb helemaal niemand om echt mee te kunnen communiceren. Op een gegeven moment verzand ik dan in piekergedrag en hou ik continu de thermometer onder de oksel van mijn gemoed.

 

Het is geen situatie om heel gelukkig van te worden, temeer er geen uitzicht is op maatschappelijk succes, op een hoger doel. Overleven, is alles wat me te doen staat, alhoewel ik moet zeggen dat ik het invullen van het vader- en partnerschap de belangrijkste taak vind van ieder mens en dat ik er trots op ben dat ik dat tamelijk goed doe, in elk geval veel beter dan mijn ouders.

 

Genoeg is dat nochtans niet. Je wilt meer. Ik ben immers nog altijd heel ambitieus. Ik wil iets betekenen in en voor de maatschappij. De kans dat ik een passende baan vind, is evenwel nihil. Ik solliciteer bijna wekelijks op vooral journalistieke vacatures, maar krijg alleen maar afwijzingen. Misschien ben ik te oud of speelt mijn verleden als roddeljournalist me parten… Ik weet niet waardoor het komt dat ik nooit word uitgenodigd voor een gesprek, terwijl ik toch een kwart eeuw ervaring heb als freelance journalist en voor landelijke bladen heb geschreven.

 

De tijd doordeweeks probeer ik te doden door het huishouden te doen. Heel erg vind ik het niet om te wassen, af te wassen, te strijken en te poetsen en ik vind het zelfs leuk om te koken, maar echt verheffend en inspirerend vind ik deze activiteiten nou ook weer niet.

 

Iedere dag ga ik even naar de supermarkt bij wijze van fobietraining. Het is noodzaak om dagelijks onder de mensen te komen en me in de ‘drukte’ te begeven. Doe ik dat niet, dan bouwt de fobie zich razendsnel op en uit. De ene dag weet ik niet hoe snel ik weer thuis moet komen vanwege onrust en dreigende paniek, de andere dag voel ik me buiten best wel op mijn gemak. Verder wandel ik iedere dag wat en fiets ik een paar rondjes. Als ik me goed voel, fiets of wandel ik wat langer.

 

Ik kijk heel veel tv, ook ’s morgens en overdag, en iedere dag schrijf ik een paar artikelen op mijn weblog, over van alles en nog wat. Via Facebook onderhoud ik tijdens mijn eenzame uurtjes contacten met familieleden, gezinsleden en kennissen. Geregeld schrijf ik op mijn weblogs maar ook op Facebook over mijn frustraties en kwalen. Ik heb het nodig om me te uiten. Ik schrijf over alles wat in me opkomt en wat me bezighoudt en mijn frustraties en beperkingen nemen me nou eenmaal dagelijks heel erg in beslag. Als ik mijn hart heb gelucht, is er daarna weer plaats voor luchtigere onderwerpen en zelfs voor grapjes.

 

Niet alleen mijn eigen situatie beknelt me, maar ook de toestand in Nederland en van de hele mensheid eigenlijk. Daar word ik niet vrolijk van. Iedere dag hoor ik, vind ik, onzin en leugens uit de mond van burgers die voor tv en radio worden geïnterviewd, maar ook uit de mond van presentatoren, van columnisten, van journalisten en van politici. Ik vind het triest dat we niet gewoon solidair kunnen zijn met elkaar, over de hele wereld, en dat we niet eerlijk willen (ver)delen. Vreselijk vind ik het dat we niet in harmonie willen leven met Moeder Natuur en dat de mensheid is bedorven door hebzucht, materialisme, consumentisme, kapitalisme, geldzucht, jaloezie en individualisme.

 

Ik heb het wel vaker geschreven: deze wereld is niet mijn wereld. Ik vind dit een gure en ongure plek. Ik kan hier niet aarden. Ik vind het hier niet leuk. Tijdens de vele eenzame uren, als ik de krant lees, naar de radio luister of naar de tv kijk, zit ik me dikwijls enorm op te winden en te ergeren aan alles wat in mijn optiek niet juist is en wat niet goed gaat.

 

Zodra de kinderen thuiskomen, is er leuke afleiding. Soms ook stress en hectiek natuurlijk, maar op dat moment ben ik niet meer alleen met mijn gedachten, gevoelens en emoties.

 

Met mijn zoon, dochter en vrouw heb ik een hele hechte band en we hebben het heel gezellig samen. Ik kan ook genieten van kleine dingen, zoals de herfstkleuren, een mooie lucht, een wijze uitspraak, een grap, de smaak van koffie of de geur van bijvoorbeeld prei op het land. Ik heb wel eens geschreven dat ik een pechvogel én een geluksvogel ben.

 

Ik hou van het leven, maar dat leven doet me regelmatig pijn. Soms wil ik een beetje dood en af en toe wil ik echt heel erg graag verlost worden en acuut van de aardbodem worden geveegd. Ik vind dat vrij normaal gezien het leven dat ik voor mijn kiezen heb gekregen en moet leiden/lijden, gezien mijn frustraties en gezien mijn onvrede over de onrechtvaardigheid in de wereld.

 

Heel goed kan ik me inleven in mensen die zelfmoord hebben gepleegd. Het voordeel van wat ik allemaal heb meegemaakt, is dat mijn inlevingsvermogen is gegroeid en dat ik aan haast alle mooie en meedogenloze mogelijkheden van de realiteit heb mogen ruiken, waardoor ik precies weet wat er in dit leven allemaal te koop is. Ik ben een kleine tijd rijk geweest en nu moeten mijn vrouw en ik en onze kinderen het redden van één loontje. Ik ben gezond geweest en ziek geweest. Ik heb succes gehad en ben maatschappelijk afgegleden. Ik heb een heel slecht huwelijk meegemaakt en heb zelf een heel goed huwelijk. Het zijn vier voorbeelden – nog afgezien van de hele rits aan medische, psychische en psychosomatische klachten die ik heb gehad (bijvoorbeeld ischias, blaasontstekingen, migraine en letterlijk krakende hersenen) - van wat ik allemaal heb doorleefd. Het gevolg is dat ik voor bijna iedereen begrip kan opbrengen en me in bijna iedereen kan verplaatsen.

 

Een medewerkster van een van de twee bakkerijen in het dorp heeft zelfmoord gepleegd. Ze heeft zich voor de trein gegooid, zoals ze dat noemen. De vrouw laat een man en twee jonge kinderen achter.

 

Ze maakte achter de toonbank van de bakkerszaak altijd een zeer opgewekte indruk en haar levensmotto was: 'Alles Komt Goed'. Lachend en altijd goed gemutst verkocht ze broden en vlaaien. In hoeverre was haar vrolijke gedrag een maskerade?

 

'Alles Komt Goed'. Een mooi levensmotto. Maar ook een teken dat lang niet alles goed WAS? Zo'n positief levensmotto kan een teken van wanhoop zijn, een houvast in bange tijden...

 

Haar Facebookpagina is gewoon nog in de lucht. Op alle foto's staat de bakkerijbediende lachend, meestal met haar twee kinderen. Er leek geen vuiltje aan de lucht als je die pagina ziet.

 

In een tijdschrift las ik toevallig van de week nog dat mensen van zichzelf een advertentie maken op de diverse social media. Vooral op Facebook tonen mensen alleen maar hun gezellige en humoristische kant en worden er bijna alleen maar pleziertjes uitgewisseld. Mensen scheppen een zo mooi mogelijk beeld van zichzelf. Zie mij eens een leuk leven hebben! Zie mij ondanks alle ellende toch eens volhouden en genieten! Mensen verbergen hun leed, hun zorgen, hun twijfels. We zijn blijkbaar zo bang om ons kwetsbaar op te stellen, uit schaamte, omdat het niet stoer is om te klagen of uit angst dat een ander misbruik maakt van onze openhartigheid. Facebook is een medium waarop haast niemand z’n ware gezicht laat zien… Als een zogenaamd vrolijk persoon dan uit het leven stapt, is iedereen geschokt. Ze was toch zo vrolijk altijd?!

 

Ook veel meningen worden op Facebook en twitter uitgewisseld, hetgeen ervoor zorgt dat we tegenwoordig met ieders opinie worden geconfronteerd. Soms is dat teveel van het goede, vooral als we ons om al die meningen druk gaan maken... Nederland is één groot discussieland aan het worden. Enerzijds mooi dat het in alle vrijheid kan, anderzijds slaat het teveel door.

 

Mijn kinderen reageerden trouwens niet begripvol op het nieuws van de zelfdoding van de dorpsgenoot. Hun onbegrip kan ik goed begrijpen. Het zal hun beangstigen dat moeders tot zoiets in staat zijn. Stel je voor dat je eigen moeder... "Waag het niet, mama, om zelfmoord te plegen," heeft dochter dan ook tegen haar moeder gezegd. "Ik zal het je nooit vergeven."

 

Zulk nieuws maakt kinderen bewust van wat er allemaal kan gebeuren. Maar het maakt hen natuurlijk vooral bang.

 

Dochterlief noemde het egoïstisch van de zelfmoordenares en zielig voor de machinist en conducteur van de trein waar de zelfmoordenares zich voor heeft geworpen. De NS-medewerkers die in de bewuste 'zelfdodingstrein' werkten, zitten nu misschien ook met een trauma opgescheept

.

Slachtoffers maken slachtoffers, zoveel is zeker.

 

Het is me niet gelukt om de mening van de kinderen een beetje te nuanceren. Ik heb aan de kinderen proberen uit te leggen hoe wanhopig je moet zijn als je je als zorgzame moeder - misschien in een zwarte roes, in een negatieve climaximpuls - voor de trein werpt.

 

De kinderen wilden er niks van weten. Nogmaals, het idee dat ouders dus zo door hun problemen overmand kunnen worden dat ze hun kinderen 'in de steek laten', zal hen beslist beangstigen. Zeer begrijpelijk. Logisch.

 

Echter, als geen ander weet ik dat je niet meer helder kan denken en dat je niet meer in staat bent aan anderen te denken wanneer de wanhoop en de pijn je als een tsunami overspoelen.

 

Ook ik heb vaker de neiging gehad om mezelf kapot te rijden tegen een boom. De neiging om op een eik of iep aan te sturen, is soms heel erg groot geweest. Ik heb mezelf zelfs een keer moeten (en kunnen) tegenhouden toen ik bij de spoorwegovergang stond te wachten en er een trein aankwam. Bijna had ook ik me op de rails gestort om te worden verlost. Achteraf was ik blij dat ik mezelf had kunnen beheersen. Ik moet er niet aan denken mijn gezin in het verdriet te storten.

 

Maar als je van top tot teen gekweld wordt door wanhoop en pijn, dan kan het zijn dat alle stoppen doorslaan en dat je de hand aan jezelf wilt slaan of zelfs slaat.

 

Het staat als een paal boven water dat het voor de naasten van een zelfmoordenaar een verschrikkelijk drama is en dat een zelfdoding ook voor de machinist en de conducteur van de bewuste trein traumatische ervaringen kan opleveren die levenslang kwellen, maar ik vind dat je niet mag en kan oordelen over de wanhoopsdaad van een medemens dat blijkbaar ondraaglijk geterroriseerd wordt en dat in zo'n duistere apotheose zit dat hij of zij (op die manier) uit het leven stapt. Kwalificaties als 'egoïstisch' richting een zelfmoordenaar vind ik uitermate ongepast en onterecht.

 

Puur theoretisch is het misschien heel erg egoïstisch om anderen op te zadelen met jouw zelfdoding, maar juist bij zoiets als zelfmoord geldt theorie niet. Er komen zoveel gedachten, emoties, ervaringen en gevoelens bij kijken... En die zijn allemaal super subjectief, super persoonlijk van aard.

 

Misschien heeft een zelfmoordenaar - als hij na zijn of haar dood voortleefde - een dag later wel spijt van zijn of haar daad. Misschien ook wel helemaal niet. Het zou verschillen van persoon tot persoon, denk ik.

 

Ikzelf kan alleen maar zeggen dat ik tot dusver blij ben dat ik mezelf tot nu toe altijd heb weten te beheersen als ik zelfmoordneigingen had. Bewust schrijf ik 'tot nu toe', want ik weet dat ik zomaar in een situatie kan belanden - dat ieder mens in een situatie kan belanden - waarin ik geen uitweg meer zie en alleen nog maar verlossing kan verlangen. Bevrijd moet worden.

 

Ook over hoe iemand zijn of haar leed ervaart, kunnen wij niet oordelen, vind ik. De een kan de dood van een partner niet verwerken, de ander vindt mogelijk de kracht om door te gaan als zijn of haar hele gezin uit uitgemoord. Iedereen is anders en beleeft dingen op zijn of haar manier. We hebben allemaal onze eigen pijnervaring en pijngrens. Je bent geen watje als je een lagere pijngrens hebt. En wat is überhaupt een lage pijngrens? Gevoelige mensen zoals ik ervaren pijn heel intens, zowel lichamelijke als emotionele pijn. ben je dat dan zelf schuld? Dacht het niet. Ik ervaar ook vreugde heel intens. Daar zou niemand over klagen, schande over spreken.

 

Stel het je zo voor: iemand die zelfmoord wil plegen of pleegt, heeft HET GEVOEL in een brandend huis vast te zitten. Wat doe jij als je woning in lichterlaaie staat? Inderdaad, je zult proberen te ontsnappen, te vluchten. En als je ziet dat de kamer van je kinderen al helemaal is afgefikt en ondoordringbaar is door het vuur, ga je hen dan nog redden? Dat is de vraag. In elk geval heeft iemand die zelfmoord pleegt of heeft gepleegd, het gevoel (gehad) aan een vretende vuurzee te willen en te moeten ontkomen.

 

Voor mij is dat genoeg. In plaats van de zelfmoordenaar te veroordelen, kunnen we beter mild over zo iemand denken en hopen dat zijn/haar naasten en alle betrokkenen het verdriet en het trauma kunnen verwerken.

 

Hoofdstuk 6.

 

De vriendschap tussen twee mannen, hangt af van het geduld van een van de twee (indianenspreekwoord).

 

Hoe het vandaag met me gaat? Best goed. Het is weekend. We zijn zojuist in een Duits stadje net over de grens wezen eten in onze favoriete China-Imbiss, een soort Aziatische snackbar waar ze voor 6 tot 10 euro heerlijke Thaise gerechten en menu's uit Laos op de kaart hebben staan.

 

Ik was van tevoren erg bang - onderdrukt bang - dat ik andermaal last zou krijgen van mijn compulsieve dwangstoornis oftewel van 'gevoelsvreemde' agressieve gedachten en neigingen, maar dat was gelukkig geenszins het geval. Waarom ik de ene keer wel last ervan heb en de andere keer helemaal niet.... Joost mag het weten. Ik ken evenwel niemand die Joost heet. En niemand kent een Joost die het weet.

 

Deze dwangstoornis is eveneens een angststoornis en komt dikwijls voor in combinatie met een andere angststoornis.

 

Twee maanden geleden kreeg ik er zomaar ineens heel erg last van. Ik wist niet wat me overkwam. Ik kreeg agressieve gedachten en neigingen die ik als heel akelig ervoer. Ik had bijvoorbeeld heel sterk de drang om met de auto op mensen in te rijden. Ik dacht dat ik gek werd.

 

Dat was zo'n moment - het debuut van die 'buiten-Duncanse' agressie - waarop ik dood wilde. Het was het ergste wat ik ooit had meegemaakt. Die gedachten en neigingen waren en zijn niet van mij, maar bezetten mijn wil en mijn hoofd. Het is alsof een monster in mij de controle wil overnemen, heel eng.

 

Op internet las ik het verhaal over een vrouw die van de ene op de andere dag hele agressieve en gemene gedachten kreeg over haar zoontje van wie ze heel veel houdt. "Stom, autistisch rotkind," dacht ze maar steeds. Een ander verhaal van een lotgenote las ik eveneens op het internet. Deze lotgenote had de drang om haar vriend tijdens het vrijen dood te steken met een mes, terwijl ze hem heel erg lief heeft. Ze durfde zelfs niet meer naast hem te slapen, bang dat ze gehoor zou geven aan haar agressie!

 

Er schijnen best veel mensen te zijn met dit soort ongewenste en ego-vreemde gedachten en neigingen.

 

Het probleem is dat mensen die lijden aan deze stoornis heel erg bang worden voor hun eigen gedachten en bang worden dat ze iemand daadwerkelijk iets gaan aandoen. Ze vertrouwen zichzelf niet meer. Ze schrikken van hun gedachten en raken volkomen in paniek en van de kaart.

 

Om te voorkomen dat ze die gedachten krijgen, gaan ze obsessief dingen doen, afleiding zoeken, zoals het huis poetsen. En als de villa of de flat is gekuist, beginnen ze opnieuw met poetsen. Daarmee maken ze het probleem eigenlijk erger. Hun stoornis wordt het centrum van al hun gedachten en van hun hele doen en laten en zo wordt het nog meer een obsessie. Zo roep je die ongewenste agressie juist op. Het gaat je hele leven beheersen.

 

Omdat mijn huisarts niet veel wist te vertellen over dit verschijnsel en omdat pillen haar de enige mogelijkheid leken (zolang het kan wil ik niet afhankelijk worden van medicijnen. Ik heb bovendien al eens zelfmoordneigingen gekregen van antidepressiva) heb ik teksten van lotgenoten en van psychologen op internet geraadpleegd.

 

Uit dat materiaal blijkt dat je het beste over je stoornis kan praten met iemand die je vertrouwt en in sommige gevallen helpen inderdaad medicijnen, maar vaak hebben die nare bijwerkingen. En als je met die pillen stopt, komt het probleem weer in volle hevigheid terug.

 

Het vechten tegen de gedachten en de neiging ze weg te drukken, werken averechts. Laat ze maar komen, luidt het devies.

 

Na de eerste ‘aanval’ had ik voortdurend heel erg veel last van deze stoornis. Grotendeels door de paniek. 'Wat overkomt me nu weer? Word ik een gevaar?!'

 

Paniek maakt altijd alles erger. Vrij snel had ik door dat ik kalm moest blijven en dat ik mezelf moest voorhouden dat iedere aanval ook weer voorbij gaat, dat de negatieve en agressieve gedachten en neigingen meestal vrij snel wegtrekken of in hevigheid afnemen. Niet teveel erover nadenken en piekeren, is evenzeer van eminent belang. Met denken los je niets op. Erover praten, maar ook niet teveel, werkt inderdaad verlichtend. Daarbij ontdekte ik dat opwekkende voedingsmiddelen zoals koffie, vitamine C, vitamine B, alcohol en magnesium de kwaal enorm (kunnen) verergeren.

Door op tijd en voldoende te ontspannen, kun je de ergste spanning bij jezelf weghalen en dat kan hevige aanvallen voorkomen.

Het lijdt geen twijfel dat stress, spanningen, drukte, overbelasting, piekeren en angst de oorzaken zijn van deze stoornis met als gevolg dat de biochemische huishouding in je hoofd verstoord raakt zodat bepaalde negatieve stofjes tussen je oren de overhand krijgen. In die zin zit het inderdaad tussen de oren, zo'n aandoening!

 

Het is een opluchting van vrijwel alle psychologen te lezen dat mensen die aan deze stoornis lijden, zelden of nooit overgaan tot agressieve handelingen. Integendeel. Ze zijn er juist als de dood voor! Hun geweten is dikwijls zeer sterk. En hun zelfbeheersing ook. Pas als je zelf niet meer bang bent voor je eigen 'vreemde agressie' en als je niet meer wat DAT je agressieve dingen denkt die je niet wilt denken, dan wordt het gevaarlijk. Maar bij mensen met deze stoornis komt dat dus bijna nooit voor.

Het eten bij de China-Imbiss was trouwens zoals altijd heerlijk. Het was best gezellig. Maar er waren ook wat kleine irritaties onderling, met name tussen mijn vrouw en onze zoon en dochter. Heel gewone irritaties, bijvoorbeeld dat de een vindt dat de ander zeurt of dat de een in een winkel wil kijken en de ander niet.

 

Op zulke momenten merk ik hoe weinig stressbestendig ik ben. Ik krijg dan letterlijk overal jeuk en zin om hard en boos weg te rennen.

 

De emmer met shit zit zo vol dat er echt helemaal niks bij kan. Eigenlijk stroomt mijn emmer doorlopend over. Af en toe slaag ik erin die emmer een beetje leger te maken (door bijvoorbeeld een dagje sauna, een potje seks of een leuk uitstapje), maar het blijft altijd balanceren en wankelen op een heel erg dun, zwiepend koordje.

 

Gelukkig heb ik me ook nu weer weten te beheersen, maar ik word ontzettend prikkelbaar en kregelig als mijn gezinsleden ruzie maken of zelf niet lekker in hun vel zitten. Ik reageer daar van binnen abnormaal hevig op.

 

Natuurlijk hebben zij recht op het maken van ruzie en op een baaldag of op een baalmoment. Het zijn de gewone dingen van het leven. Het kan niet altijd circus zijn. Maar ik merk gewoon hoe ontzettend weinig stress ik kan verdragen en hoe ontzettend gering belastbaar ik ben. Het is moeilijk daar goed mee om te gaan en dat te accepteren.

 

Nog steeds heb ik heel veel steun aan het boek 'Bange Helden' van Wies Enthoven. Het moet voor veel mensen met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom een enorme stimulans zijn dat de schrijfster na acht jaar is genezen. Anderzijds vind ik het wel weer tekenend dat boeken vooral worden uitgegeven als er een happy end in zit. Als er genezing heeft plaatsgevonden.

 

Zelden lees je het verhaal van iemand die middenin een ziekte zit en die nog niet zo goed of die helemaal nog niet met die ziekte kan omgaan. Het dagboek van iemand die zelfmoord wil plegen, zal niet snel worden gepubliceerd, denk ik. Dat wordt als NEGATIEF EN ONPRETTIG ervaren, niet leuk om te lezen en vooral niet bemoedigend.

 

En toch kan het ook heel herkenbaar en troostrijk zijn om het verhaal te lezen van iemand die echt middenin de ellende zit, in het oog van de orkaan en die even niet meer weet hoe. Het kan heel herkenbaar zijn om de uiterste wanhoop van een ander te lezen, met name als je zelf in de middencirkel van een veld vol turbulentie zit. Dat soort verhalen mis ik, en daarom schrijf ik dit allemaal op, echt vanuit het hart van het lijden...

 

Het zou ook voor de mensen op de lijdenswegen goed zijn als zij werden gehoord en als hun verhalen werden gepubliceerd. Dat zou een erkenning en herkenning betekenen van hun lijden, van hun zware kruis en vermoeienissen.

 

Dat - het (h)erkennen van en luisteren naar mensen die middenin het lijden zitten en die het niet meer weten - doen we als maatschappij veel te weinig. Daarom hebben zo ontzettend veel mensen ook het gevoel dat ze nergens met hun rotte ei terecht kunnen en mogen. We willen mensen met 'rotte eieren' liever niet in de buurt hebben en geen aandacht aan hen schenken. Zij zijn als de stinkende zwervers om wie iedereen met een grote boog heen loopt. En dan vinden we het achteraf zielig als ze bijvoorbeeld zelfmoord hebben gepleegd of in een kortsluitingsbui anderen iets hebben aangedaan, uit pure frustratie en wanhoop...



 

Die negatieve energie in een mens moet er toch uit, rechtsom of linksom. Als die energie zich teveel en te lang ophoopt, kunnen er hele nare dingen gebeuren. Dan slaan de stoppen dus écht door.

 

Misschien dat andere mensen, die ook lijden, zich in sommige dingen die ik (be)schrijf en meemaak kunnen herkennen en er troost en kracht uit putten. Dat zou mooi zijn. Dan heeft mijn lijden nog enigszins zin.

 

Hoofdstuk 7.

 

Als het nooit zou regenen, zou je ook de regenboog nooit kunnen zien (indianenspreekwoord).

 

Je kan nog zoveel (uitstekende) therapeuten raadplegen, zodra je buiten hun spreekkamer staat, sta je er alleen voor en komt het aan op je eigen kracht en vermogens. Er komen altijd weer mensen en dingen op je pad die je niet met je therapeut had besproken en waarover je hem niet onmiddellijk kan bellen en kan raadplegen. Je zal creatief moeten zoeken naar oplossingen voor problemen en dilemma’s en naar manieren om hindernissen te overwinnen en je zult moeten vertrouwen op je intuïtie, intellect, instinct en veerkracht. De adviezen die de medische ‘raadsheren’ je hebben gegeven, kun je inpassen en toepassen, maar lang niet alle (nieuwe) omstandigheden en spontane gevoelens, emoties en gedachten heb je met de therapeut besproken en doorgespit. Kortom: je bent toch vooral op jezelf en op de hulp van je naasten aangewezen. Je moet het ZELF doen.

 

Sinds ik geen therapeuten meer consulteer, gaat het beter met me. Ik heb gemerkt dat ikzelf mijn beste therapeut ben en dat niemand me zo goed kan helpen en zo met me is begaan als mijn vrouw. Telkens, als ik aan de tafel zat tegenover een therapeut, had ik het gevoel dat hij of zij niet echt geïnteresseerd was, niet echt luisterde en niet veel inzicht had in mij en in mijn situatie. Zolang de meter loopt, zullen ze beslist hun best doen, maar ik vond het allemaal weinig indrukwekkend wat de therapeuten te melden hadden. Hun inzet vond ik niet geweldig en hun houding vond ik zelfs meestal argwanend, afstandelijk en kil. Ik krijg de kriebels van zulke mensen. Ik heb geen enkele bevlogen, gepassioneerde, meelevende therapeut meegemaakt. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze er niet zijn. Maar ik heb niemand gevonden met wie het klikte, die me de indruk gaf briljant te zijn en iets extra’s voor me te willen betekenen. Geen enkele therapeut die ik consulteerde, had veel ervaring met uitputting in combinatie met een angststoornis. Geen enkele. Als ervaringsdeskundige heb ik daarom altijd het gevoel gehad boven hen te staan in de hiërarchie, althans als het gaat om de kennis over pleinvrees, uitputting en stress gerelateerde klachten.

 

Vanmorgen, nadat ik de kinderen bij school had afgezet, besloot ik maar meteen te gaan 'oefenen'. Zo noem ik dat. Fobietraining. Zelfhulp.

 

Oefenen. Om onder de mensen te zijn, om in de openlucht te zijn. Wandelen is voor bijna alle mensen een vanzelfsprekende activiteit, iets waar ze nooit bij nadenken, iets dat automatisch gaat en dat hen geen kracht kost. Maar voor mij zijn wandelen, fietsen en autorijden survivaltrainingen. Ontzettend afmattend. Slopend. Maar wél even weg van 'veilig' thuis, uit die benauwende en saaie gevangenis.

 

Ik nam als houvast een grote stevige paraplu mee. Daar kon ik op steunen tijdens de wandeling van de parkeerplaats naar het station waar ik de Metro en de Sp!ts wilde mee graaien. Had ik tenminste een doel.

 

Zonder die paraplu heb ik het constante gevoel in elkaar te zakken en geen contact te hebben met de aarde, niet geworteld te zijn, door de aarde te worden af gestoten.

 

Het is tijdens zo'n wandeling alsof een ijzersterke, reusachtige hand me bij mijn achterhoofd vastpakt en me voorover duwt. Ik heb dus onophoudelijk het gevoel dat iets me naar de grond duwt. Gek genoeg geeft die stomme paraplu me een beetje het gevoel van zekerheid. Een beetje. Zodat het nét te doen is, zo'n voettochtje van zeven minuutjes.

 

Oei, daar was een open stuk op weg naar de tunnel. Ik keek en huiverde alsof er een moorddadige leeuw voor me stond met open bek en scherpe tanden, een grote, hongerige leeuw met maar 1 doel: mij opvreten.

Mijn ruimtevrees is heel letterlijk. Zodra ik niet langs muurtjes of huizen of grote bomen af kan lopen, doemt de angst in volle hevigheid op. Alsof de ruimte me opslokt. Alsof ik oplos in het niets.

Ook nu voelde dat zo.

Mijn benen waren loodzwaar. Ik had het gevoel amper vooruit te komen. Mijn maag maakte een vrije val zonder parachute.

Ik versnelde mijn pas. Ik moest zo snel mogelijk bij die tunnel zien te geraken, bij de veilige 'haven', bij de beschutting. Mijn ademhaling zat in mijn mond in plaats van in mijn buik en mijn lichaam was als verlamd. Mijn blik verstarde.

Ik zag alleen nog maar stoeptegels die letterlijk duizelingwekkend snel onder mijn voeten vandaan leken te rennen. Ik zag mezelf al op de grond vallen. Mensen om me heen. Ambulance. Verpleegkliniek. Pillen. Injecties.

 

Maar zoals altijd redde ik het, met hangen en wurgen. Ik was opnieuw NIET neergevallen, niet bewusteloos geraakt, niet vermoord door de angst. Wél weer emotioneel verwond en ontmoedigd. Een paniekaanval is een traumatische ervaring op zich. Je denkt dat je dood gaat en je ervaart zoveel angstaanjagende lichamelijke en psychische sensaties dat je denkt dat je gek wordt. Bovendien kost het veel kracht om ondanks je paniekstoornis buiten te zijn. Immers, je bent zo gespannen als een veer. Als je eenmaal een paniekaanval hebt (die roep je ongewild zelf op), dan kost dat natuurlijk nog meer kracht. Ik zou wel eens willen weten hoeveel energie je verbrandt tijdens zo’n aanval. Heel veel, denk ik.

 

Rust kreeg ik niet in de muf en naar brandend tabak ruikende tunnel. Er denderde een ambulance met sirene over de overdekte weg. Het geluid van die sirene, versterkt door de tunnelgalm, ging door merg en been, verwondde mijn ziel met teveel decibellen.

Ik dacht dat mijn hersenen uit mijn hoofd zouden spatten. Het voelde alsof dat lawaai me verpulverde. Alsof ik een pilletje was dat door een lepel in een stevige hand wordt vergruisd.

 

Ik realiseer me dat van vrouwen dergelijke verhalen en klachten over paniek en angst eerder worden geaccepteerd. Als je dit hebt als man zijnde, dan word je toch meer aangezien voor watje. Maar het zij zo. Ik heb allang afgeleerd me iets aan te trekken van de empathieloze mening of van het wan- en vooroordeel van anderen. Ik ben er niet meer zo op uit om begrip en medeleven van anderen te vragen, te verlangen, te verwachten. Die komt er gewoonweg vaak niet. Soms ook wel, gelukkig. Mijn oudste zus, mijn penvriendin Ann en Iris, de beste vriendin van mijn vrouw, laten op Facebook – waarop ik ook mijn emoties soms de vrije loop laat - heel vaak blijken dat ze met me meeleven en dat ze waardering hebben voor mijn strijdlust. Hun warme woorden zijn als zonnestralen tijdens een fikse regenbui. Maar het blijft natuurlijk vooral de strijd van mijn vrouw, onze kinderen en mijzelf. Het is ons kruis en wij moeten het zelf dragen. Dat geldt voor iedereen. Iedereen moet samen met de naaste verwanten zijn of haar eigen kruis dragen.

 

Ik was nog steeds in de tunnel. Opluchting ontvouwde zich in mij toen die verschrikkelijke ambulance de tunnel uit was. Zoals de indianen zeggen: "Als de hel vertrekt, komt de hemel binnen." Zo voelde het. Even maar.

 

Wel had ik me nog even angstig afgevraagd of mijn moeder misschien in die ambulance zou liggen. Eergisteren had ze goed nieuws gekregen uit het ziekenhuis: ze was schoon (baarmoederkanker gehad) en zelfs haar trombose was bijna genezen.

 

Reden voor een groot feest in mijn hart. Maar het noodlot kan zomaar toeslaan, ook na het beste nieuws ooit. Garanties zijn er niet. De zus van tv-presentator Andries Knevel overwon haar pleinvrees en stierf daarna heel snel aan kanker.

 

Het leven kan ontzettend kut, meedogenloos, sadistisch en mensonterend zijn. Mensen trouwens ook. Kijk maar naar de lijken in de gaskamers, in de massagraven, in de aidssteden in Afrika waar veel vrouwen - ook lesbische vrouwen - worden verkracht door HIV-besmette klootzakken. DAT is ook realiteit. Misschien dat ik door de voortdurende spanning waaraan ik sinds mijn jeugd bloot sta automatisch veel oog heb voor wat krom is in de wereld?

 

Deze maatschappij en mensheid maken me overspannen. Ja, ik ben écht overspannen geraakt door deze koude wereld, door het gebrek aan wijsheid, aan intelligentie, aan verstand, aan vriendelijkheid. In deze wereld voel ik me niet thuis. Ik ben bang voor de mensheid en iedere dag zie ik dat ik daar alle gegronde reden toe heb.

 

Ik ben als een woestijnroos in Siberië. Ik ben niet gemaakt om hier te aarden. De wereld (lees; Maatschappij en het leven als zodanig met alle gevaren en klootzakken en trutten en bedreigingen en rampen die er zijn) en ik zijn twee magneten die elkaar afstoten. Ik ben niet gemaakt voor het leven.

 

Misschien wel OM te leven, maar als je niet in de wieg bent gelegd voor dit bestaan, heeft het weinig zin om te leven. Was het maar voorbij. Dan was ik ook af van die enorme doodsangst. Maar vooral van die levensstrijd. Ik ben bekaf.

 

Al deze gedachten en gevoelens spoken tijdens zo’n wandelingetje door mijn hoofd. Zelden ben ik vrij van zorgen en van zulke zware overpeinzingen. Dat komt, omdat de angst me voortdurend geselt en omdat mijn lichaam en geest altijd signalen afgeven versleten te zijn. Als je je onafgebroken zo lamlendig voelt, dan kun je gewoonweg geen roze gedachten en gevoelens opwekken.

 

Op het station griste ik de Metro en de Sp!ts mee en heb ik in de boekhandel even wat rondgeneusd zonder iets te willen kopen. Ik moet het de rest van de maand (nog 2,5 week) immers met nog maar 100 euro doen en daar moet ik van tanken en boodschappen van doen.

 

Mijn medicijnen - sauna en massages - kosten handenvol geld. Maar zonder die 'medicijnen' word ik Hitler. Dan word ik een hel. Voor mezelf en voor anderen. Dan slaan alle stoppen onherroepelijk door. Dan wordt die spanningstoren zo hoog dat ik van woede uit mijn voegen barst.

 

De terugweg ging gedeeltelijk goed, gedeeltelijk heel slecht. Op het open stuk kreeg ik nu een bijna-paniekaanval. Alsof mijn keel werd dichtgeknepen en ik voorover werd gedrukt naar de grond, zo voelde het. En die turbulente angst in mijn maag...

 

Ik dacht even dat ik flauw zou gaan vallen, met name toen een jongedame me tegemoet liep. "Als ze maar niet mijn worsteling ziet. Straks val ik voor haar voeten op de grond. ben ik overgeleverd aan een wildvreemde. Zal ze dan voor me zorgen of me gewoon met bloedend hoofd op de grond laten liggen?"

Net op tijd was ik bij de parkeergarage.

Ik probeerde de angst uit te dagen: "Kom maar op. Ik loop letterlijk niet voor je weg. Ik blijf in de situatie. Dan maar een hevige paniekaanval. Die gaat ook wel weer over." Zo hadden therapeuten me geïnstrueerd. Ik moest in de situatie blijven, in de paniek. Paniek, vertelden ze me, neemt altijd af na het hoogtepunt bereikt te hebben en als je leert om in de situatie kalm te blijven (!), om de situatie het hoofd te bieden, dan overwin je je pleinvrees.

 

Maar er zijn veel gradaties en volumes van angst. Het is alsof ik de hevigste, hardnekkigste en helste vorm van pleinvrees heb met hele diepe en hele monstrueuze angstgevoelens. De theorie van de spreekkamertjestherapeuten is in de praktijk heel moeilijk toe te passen en is lang niet altijd toepasbaar.

 

Ik daagde de angst uit, maar de angst bleef op hetzelfde pitje sudderen, kookte niet over en ebde ook niet weg.

Wat een helse strijd!

Niemand die dit leest, kan zich voorstellen hoe het is, tenzij je het zelf in deze mate en gedurende twee decennia (!) hebt mee moeten maken. Tenzij je zelf niet geholpen kan of kon worden door medicatie en gesprekken met een zielenpeuteraar.

 

Eenmaal bij de auto gekomen, had ik eigenlijk nog geen zin om de wandeling te staken. Ik was al zo lang niet buiten het dorp geweest, buiten dat immens burgerlijke, saaie, beklemmende dorp geweest...

 

Ik liep dus nog een stukje verder om niet weer naar huis te hoeven gaan. Maar ik merkte dat ik uitgeput was, geen energie en geen veerkracht meer had om de uitdaging van de verlenging van een stadswandeling - in de open ruimte - aan te gaan.

 

Teleurgesteld en boos stapte ik weer in de auto, terug naar huis, terug naar de gevangenis…

 

En ik weet dat ik dit honderdduizend keer kan uitleggen, maar dat de meeste mensen me maar zwak vinden en me (blijvend) niet begrijpen, zich niet in de situatie kunnen en willen inleven. Voor de meeste mensen zijn pleinvrees, angst en uitputting slechts holle begrippen, en tekenen van zwakheid bovendien… Als ze eens wisten en wilden beseffen wat het allemaal inhoudt en wat voor dagelijkse gevolgen ze hebben… En hoe sterk ik me hou en hoe ik me iedere dag weer onverzettelijk verzet (tegen de levenspijn en moedeloosheid)…

 

Hoofdstuk 8.

 

Je kunt niet zeggen dat de beschaving geen vorderingen maakt, want in iedere oorlog doodt je vijand je op een nieuwe manier (Will Rogers, Cherokee).

 

Onbevangen leven en tamelijk onbekommerd van het bestaan genieten? Leven zonder het gevoel te hebben te moeten overleven? Ik weet al van kinds af aan niet hoe dat voelt, hoe dat kan, hoe dat moet.

 

Vind ik het leven eigenlijk wel leuk? Heb ik het aardse gerommel ooit werkelijk leuk gevonden? Ik kan me herinneren dat ik als kleuter ook al altijd ongelukkig was buiten de deur. De meeste andere jongens vond ik te wild, te rumoerig en te druk, de meisjes waren zo angstaanjagend zacht, lief en aantrekkelijk en de docenten waren allemaal de mindere van mijn lieve, zorgzame moeder.

 

Ik wilde gewoon altijd bij mama zijn. Bij haar voelde ik me geborgen. Als kind hing ik letterlijk de godganse dag aan haar rokken, soms totdat zij er kregelig van werd en een beetje boos op me werd (echt boos kon en kan ze niet worden, al zou dat misschien wel goed voor haar zijn).

 

Niemand was zo lief als zij. Misschien was ze wel veel té lief. Misschien ben ikzelf wel gewoon te zacht voor deze koude, harde wereld. Eigenlijk wil ik dat iedereen net zo lief voor me is als mama en dat iedereen net zo lief is voor elkaar als mijn moeder voor mij was. En is. Zoals mama is, zo zou de hele wereld moeten zijn. Liefhebbend, beschermend, vrolijk, complimenteus.

 

Tijdens mijn ‘intropsychologische’ bespiegelingen heb ik mezelf wel eens gediagnosticeerd als een mama’s-kindje dat niet los kan komen van het beschermende gevoel dat zijn moeder hem gaf, bang om zonder haar bescherming in deze boze, kille wereld verpulverd te worden door keiharde concurrentie, jaloezie, strijd, afgunst, vechtlust en hebzucht van anderen.

 

Ik ben gewoonweg te soft voor deze jungle. Leeuwen redden zich wel in een jungle, ik voel me echter als de hoofdprooi van deze killers. De buitenwereld is voor mij te beangstigend. Misschien heb ik door de slechte band met mijn vader en de enorme rol en invloed van mijn moeder in mijn leven te weinig mannelijkheid ontwikkeld. Het wordt wellicht tijd om mezelf eens te gaan vermannen en de strijd aan te gaan, vaardigheden te leren om me in deze jungle staande te houden, moedig, zonder steeds maar weer doodsbang te zijn voor alle bedreigingen en gevaren in de jungle…Mogelijkerwijze moet ik het besef ontwikkelen dat ik op eigen benen kan staan en voldoende capaciteiten en gezonde agressie heb om me in de maatschappij staande te houden.

 

Het klinkt allemaal heel plausibel. Door de uitputting en de stress zijn mijn diepste emoties bloot komen te liggen en zijn de zenuwen van de diepste emoties geraakt. De ader van mijn existentiële angst is geraakt en die verwonding speelt me iedere dag parten.

 

Iedereen heeft wel van die existentiële angsten, maar die komen dikwijls helemaal niet aan het licht, die spelen dikwijls helemaal niet op in die mate dat men er last van krijgt. Als men niet helemaal is ontwricht door een trauma of door continue stress, dan merkt men niet zo veel van die existentiële angst, dan heeft men er amper last van. Via het onderbewustzijn blaast de existentiële angst dan wel z’n toontje mee, maar die angst ontpopt zich dan niet tot bijvoorbeeld pleinvrees.

 

Volgens mij zit er diep in mij een gevoel dat ik niet ben opgewassen tegen de hardheid van de mensen en van de samenleving. Nogmaals, het gebrek aan een positieve, mannelijke invloed in mijn leven is daar denk ik debet aan. Daardoor heb ik mijn mannelijkheid onvoldoende ontplooit. Mannelijkheid heb je, zeker als kerel, nodig om je staande te kunnen houden en om je te kunnen meten met andere venten. Het valt me op dat ik spontaan weer de term ‘staande houden’ gebruik, terwijl ik me letterlijk met moeite staande kan houden als ik buiten ben.

 

Ik ben altijd bang geweest voor mensen. Als kind vluchtte ik al altijd naar mijn kamer als er bezoek kwam. Ik bleef dan op mijn kleine slaapkamertje zitten wachten totdat het bezoek was vertrokken. Zodra de visite de deur uit was, spurtte ik naar beneden en hoorde ik mijn ouders of zussen over het bezoek uit. Ik wilde ook altijd weten wat ze over mij hadden gezegd en of ze naar mij hadden gevraagd.

 

Het schrijnende is, dat mijn ouders - die nooit SAMENWERKTEN (ze waren ultieme tegenpolen die elkaar juist tegenwerkten) - me nooit hebben begeleid. Ze lieten alles maar op hun beloop. Als ik voor mensen wegvluchtte, nou, dan was dat maar zo. Er werd geen werk van gemaakt, totaal geen acht op geslagen. Ze waren, denk ik, te druk met zichzelf en met hun tweestrijd. Natuurlijk hadden ze als goede, bezorgde ouders, zoals Sonny en ik dat met onze kinderen doen, met me over mijn vluchtgedrag moeten praten. Ze hadden me moeten leren om mezelf te confronteren met bezoek. Niet dat we vaak bezoek kregen, maar als er bezoek kwam, dan maakte ik me uit de voeten, tenzij het iemand was van de familie die ik graag mocht. Ik vluchtte voornamelijk weg als het bezoek betrof dat ik niet kende of dat ik gevoelsmatig als onprettig ervoer. Ik hield niet van breedsprakerige mensen.

 

Van veel mensen hou ik nog steeds niet. Ik hou alleen van mensen die net zo lief voor me zijn als mijn moeder, ook al ben ik me in de loop der jaren steeds meer gaan ergeren aan haar tic om alles weg te lachen, aan haar onvermogen om op dieper niveau te communiceren en de koe bij de horens te vatten, problemen echt te bespreken… Desondanks hou ik zielsveel van haar. Iedereen heeft wel wat. Niemand is volmaakt en ik al helemaal niet: ik ben impulsief, opportunistisch als het me uitkomt, onvoorspelbaar, erg wisselvallig en verschrikkelijk ongeduldig!

 

Mensenschuwheid zit nog steeds een beetje in me. Niet meer zo erg als vroeger, maar helemaal weg gaat het nooit, denk ik. En toch heb ik in volle bestuurskamers van voetbalclubs  als journalist mijn werk gedaan en ben ik op feestjes en premières lukraak op BN-ers afgestapt voor mijn werk bij de kranten. Toch heb ik in Utrecht in mijn eentje op kamers gezeten. Toch reis ik, letterlijk aan de hand van en onder de hoede van Sonny weliswaar, de hele wereld over. Toch heb ik tussen mensen die heel anders zijn dan ik (en ik ben anders dan hen) in fabrieken gewerkt. Het is dus niet zo dat ik niets durf, niets onderneem.

 

Mijn basis was te zwak. Het fundament te rot. Het slechte huwelijk van mijn ouders, daar ben ik veel te nadrukkelijk getuige van geweest en dat heeft een enorme impact op mijn gemoedsrust en levensbeeld gehad. Ik weet wel dat overal wel wat loos is, maar bij ons was er in overdreven mate iets niet pluis. Welke schrijver schreef ook alweer? "Alle gelukkige gezinnen zijn op dezelfde manier gelukkig. Alle ongelukkige gezinnen, zijn ongelukkig op hun eigen manier."

 

Hoofdstuk 9.

 

God gaf ieder van ons een lied (Ute).

 

Muziek heeft altijd een hele grote rol gespeeld bij mijn verwerkingsprocessen. Als puber en adolescent draaide ik de liedjes van Frank Boeijen grijs. Als geen ander kon deze Nijmeegse zanger zijn intense emoties verwoorden en met mooie melodieën omlijsten. Boeijen zong (ik luister bijna nooit meer naar zijn oude of nieuwe muziek, vandaar dat ik in de verleden tijd schrijf) wat ik voelde. Over jaloezie, pijn, liefdesverdriet, verlangen, schuld, hartstocht en onrechtvaardigheid. Zijn liedjes zijn steunpilaren voor me geweest, maar ook spiegels. In zijn vaak emotionele teksten herkende ik mijn eigen zeer intense belevingswereld. Er ging geen dag voorbij of ik draaide wel een paar keer zijn LP’s. Zijn muziek heeft me op de been gehouden.

 

Sinds een jaar of vier ben ik vooral fan van de liedjes, absurde boekjes en wijze quotes van John Lennon, ex-Beatle. Net als ik kon John zijn diepste en ware gevoelens het beste kwijt op papier. Dat is terug te horen in zijn muziek. Openhartig sneed hij elk thema aan: liefde, jaloezie, afkicken, eenzaamheid, depressiviteit, vreugde, onrecht, vrede, genegenheid voor je kinderen, schuld, alles… Ik heb vele boeken over Lennon gelezen, ik heb al zijn door hem geschreven en gezongen songs tot in den treure beluisterd en Sonny en ik hebben in Liverpool de plek bezocht waar hij een tijdje woonde met zijn eerste vrouw Cynthia, waar hij met The Beatles optrad en waar hij op de Kunstacademie zat.

 

John Lennon is voor mij een held (zijn lied ‘Imagine’ is mijn Bijbel), maar hij was beslist geen heilige. Integendeel. Ook hij was maar een mens, een getormenteerd, controversieel en gecompliceerd mens bovendien. Ik herken in zijn werk de behoefte aan diepzinnigheid, aan experimenteren en aan afwisseling, het worstelen met een jeugdtrauma en met het in zijn geval buitengewoon aparte leven, de enorme levensstrijd, de kreupelheid van binnen en toch strijdvaardig zijn, de doodswens en de levenslust, de liefde voor de liefde en voor het leven, de schuldbewustheid, het goed willen doen maar soms, tegen wil en dank, vreselijk slecht zijn of doen, de absurde en spitsvondige humor en de passie voor schrijven en voor muziek. 

 

Het werk en de vaak filosofische, diepzinnige, gevatte en openhartige uitspraken van Lennon zijn reddingsboeien voor mij, al moet ik bekennen dat mijn toegewijde vrouw – wat een ruggengraat heeft dat mens en wat zijn we voor elkaar geschapen! – mijn enige echte reddingsboei is die altijd blijft drijven.

 

Maar het is helaas niet genoeg. Althans, niet genoeg om te kunnen genezen en om de mensheid spontaan te willen omhelzen...

 

Ik heb veel moeite met het feit dat andere mensen niet kunnen omgaan met en niet prettig reageren op mijn situatie en kwellingen. Dat maakt het allemaal nog veel erger en pijnlijker dan het al is. Hoe gemankeerd mensen kunnen zijn of doen, is me wel héél erg pijnlijk duidelijk geworden. Artsen die me niet serieus nemen en die geen extra moeite voor me doen, die me laten verdrinken, alternatieve genezers die me een schuldcomplex aanpraten en die me afhankelijk van hen probeerden te maken (financieel profiteren), familieleden die het laten afweten, vrienden die het doodzwijgen...

 

Mijn schoonvader - die nooit informeert naar mijn persoonlijke wel en wee of naar dat van zijn dochter (hoewel hij een hele lieve man is) - zei eens, zo bot als maar zijn kan: "Maar heb je nu nog steeds pleinvrees? Ik heb het ook ooit gehad, maar dat was na een paar maanden over."

 

Zo tactloos. Zo gevoelloos. De manier waarop hij het zei, kwam over als: ‘Jongen toch, zet je er toch eens over heen!’ WAS HET MAAR ZO SIMPEL!

 

In deze situatie laten zoveel mensen, ook leuke en lieve mensen, het afweten! Ze schieten schromelijk tekort! En als je dat zegt of schrijft, dan voelen zij zich zo ontzettend ongelukkig, want zo onheus bejegend en zo onterecht aangevallen. Ze leven - zeggen ze dan ineens - zo erg met ons mee... Maar ze zullen nooit hun houding ten opzichte van mij verbeteren. Meelevend en geïnteresseerd en nieuwsgierig naar de stand van zaken doen ze nooit! Mijn strijd wordt volledig weggemoffeld, vergeten lijkt wel. Dat frustreert mij echt heel, heel, heel erg. Ik moet er altijd zelf over beginnen (doe ik zelden, daarom schrijf ik het allemaal zo vaak op), anders zal niemand erover beginnen of ernaar vragen.

 

Toegegeven, ik heb deze klachten al een kwart eeuw zowat. Het nieuws is er voor velen een beetje vanaf. Mensen beseffen echter niet dat de duizendste paniekaanval net zo erg is als de eerste en dat ik nog steeds dagelijks moet worstelen om de lippen boven water te kunnen houden. Het is een gebed, een martelgang, zonder einde. De aarde lijkt soms wel een martelkamer van de duivel die mij heeft uitverkoren als zijn favoriete speeltje. Zo voelt het althans. Rationeel weet ik dat het niet zo is, dat ik tevens heel veel zegeningen te tellen heb en dat miljarden mensen het nog veel slechter hebben getroffen dan ik, maar het voelt soms alsof je de speelbal bent van de spreekwoordelijke duivel.

 

De strijd is na twintig jaar nog net zo moeilijk als in het begin. Misschien nog wel moeilijker, want je raakt uitgeput. Het duurt al zo lang, je vecht tegen de bierkaai, je zoekt heilloos naar verlichting en naar genezing en je verliest gaandeweg een deel van je veerkracht, zeker als er ook nog andere mokerslagen bijkomen zoals de kanker van moeder.

 

En toch kijken zelfs familieleden me iedere keer weer glazig aan als ik eens vijf minuten vertel hoe moeilijk ik het heb. Om vervolgens zelf twee uur te gaan brallen over hun kwalen, werk, relatieproblemen of werkloosheid. Ze walsen gewoon over mijn pijn heen, ook al beweren ze dat ze zo met mij en mijn gezin begaan zijn. Je zou daar wel eens het bewijs van willen horen, ter plekke! Je zou die bekommernis wel eens vertaald willen zien in interesse en aandacht, in inzicht en een bemoedigend woord.

 

Mensen zijn zo gemankeerd, ik dus ook. Ze realiseren zich zo weinig. Bijna nooit is er iemand die naar mij en naar mijn toestand informeert. Bijna nooit. Alsof mijn leed EN DAT VAN MIJN GEZIN (want zij lijden minstens zo erg!) wordt genegeerd. Alsof mijn lijdensweg wordt gemeden. Geen TomTom verwijst kennelijk naar de weg die ik dagelijks moet bewandelen.

 

Van sommige mensen ben ik meer gaan houden door wat ik heb meegemaakt. Omdat ze zich een engel hebben getoond, tonen. Het gaat er niet om, om lijstjes op te stellen en bij te houden, maar mijn vrouw staat met stip op nummer 1. Zij staat natuurlijk ook het meest dicht bij me, letterlijk en figuurlijk. Vroeger, toen ik Sonny nog niet had, was mijn moeder er altijd voor me. Mama nam me altijd mee om samen ergens te gaan lunchen of om te wandelen in het bos. Mama vertelde me altijd hoe knap en intelligent ik was. Mama bezocht met mij al die alternatieve pipo’s. Mama stond al haar centen af aan haar drie kinderen. Ze werkte om onder de mensen te zijn, maar het geld dat ze daarmee verdiende, maakte ze op aan haar kinderen. Zij kocht onze kleren en schoenen. Haar auto mochten we, toen we eenmaal het rijbewijs hadden, altijd lenen. Als we uit waren geweest, luisterde ze geamuseerd naar onze eindeloze verhalen… Ze is een geweldige vrouw, onbaatzuchtig, liefdevol en gul.

 

Nu hou ik me vooral vast aan mezelf en aan Sonny. Zij steunt me door dik en dun, zij cijfert zich weg voor mij, zij doet wat ik door de angst en uitputting niet kan, ze is onuitputtelijk begripvol, ze neemt het brood op de plank brengen voor haar rekening en ze is altijd bij me gebleven, hoe slopend het ook voor haar was en is. Ze is me altijd trouw gebleven en me eeuwig blijven waarderen. Zij HELPT me.

 

John Lennon helpt mij ook, zonder dat hij het kan weten…

 

Hoofdstuk 10.

 

Luister niet naar de herrie van de wereld, maar naar de stilte van je ziel (indianenspreekwoord).

 

Zelf ben ik een persoon die vrijwel altijd oor heeft voor iemands verhalen en die steevast aan anderen geïnteresseerd vraagt hoe het ermee gaat. Altijd kom ik terug op wat ze me verleden keer hebben verteld en wat hen toen erg bezighield. Er zal een stukje nieuwsgierigheid bij zitten die iedere journalist van natura heeft, maar het heeft mede te maken met een zekere mate van plichtsbesef en beleefdheid. Ik vind het niet meer dan normaal dat je je medemensen uitnodigt om te vertellen over wat er op de deuren van hun hart bonkt. Helaas lijken de meeste mensen alleen maar naar zichzelf te willen luisteren en over zichzelf te willen praten en amper wat interesse terug te geven…

 

Ik lijk wel gek dat ik altijd informeer naar ieders wel en wee en dat ik immer geduldig luister naar het geweeklaag van mensen die beslist OOK lijden, maar die (nog) veel meer kunnen, veel minder beperkt zijn en minder langdurig strompelen dan ik!

 

Echt, ik kap ermee, met mijn geduldige interesse. Ik trek me hun leed niet meer zo aan en geef hen niet meer zoveel aandacht. Ik hoop dat het goed met hen gaat, maar aangezien ze zelden naar mij informeren of al na drie minuten met hun aandacht weg zappen van mijn verhaal word ik harder, afstandelijker en onverschilliger voor hun interesses, pijntjes, gelukjes, zorgen en kwaaltjes.

 

Als zij een mijl in mijn schoenen zouden lopen, dan zouden zij zich bevoorrecht voelen. Natuurlijk is hun acute griep voor hen minstens zo erg als mijn jarenlange vermoeienis en natuurlijk mogen ze klagen over wat hen beklemt, maar ik zou daar graag wel eens wat oprechte respons voor terug willen krijgen. Is dat teveel gevraagd?

 

Omdat ik iemand ben die ondanks mijn eigen ‘oorlogje’ oog heeft voor het kleine en grote leed van anderen, verwacht ik dat misschien ook wel terug. Niet omdat ik nou zo graag aandacht wil hebben en in het middelpunt van de belangstelling wil staan (dat haat ik juist en ik voel me daar ongemakkelijk bij!), maar omdat ik steun en respons heel hard nodig heb. Ik ben reuze behoeftig wat dat aangaat!

 

Relativeren doe ik mijn toestand heus wel. Natuurlijk zijn er miljarden mensen die erger lijden dan ik. Daar ben ik écht wel van doordrongen. Maar ik kan niet tegen de onverschilligheid en de desinteresse waarmee bijna iedereen in mijn periferie - Sonny uitgezonderd - de pijn en zorgen van anderen lijkt te bagatelliseren. Ze zeggen dan dat ze zichzelf willen beschermen, maar ik vind het ronduit egoïstisch. Ze hebben alleen oog voor hun eigenbelangen en maken zich alleen druk als hun eigen beurs dunner wordt.

 

Misschien is het positief egoïsme, maar aan de andere kant kun je je eigen zorgen juist even vergeten en kleiner doen lijken als je je eens verplaatst in en je je bekommert om een ander! Als je zelf heel veel aandacht vraagt voor je kwaaltjes, vreugde en stress, realiseer je dan ook dat andere mensen net zoveel behoefte hebben aan aandacht voor hun sores en interesses!

 

Ik moet bekennen dat ik niet iemand ben die een ander snel praktische hulp zal bieden. Ik heb twee linkerhanden en een hekel aan klussen en ik ben meestal uitgeput waardoor ik mijn energie moet sparen voor de hoogstnoodzakelijke klussen, maar afgezien daarvan ben ik nooit iemand geweest die de handen uit de mouwen steekt om een ander van dienst te zijn. Ik ben sowieso geen praktisch ingesteld persoon. Wat dat betreft, heb ik heel veel respect en bewondering voor mensen die hulpbehoevende mensen en zieke individuen daadwerkelijk verzorgen, ondersteunen, begeleiden en helpen.

 

Echter, ik probeer met mijn menselijkheid, via mijn houding, van meerwaarde te zijn voor aardegenoten en voor lieden die het moeilijk hebben. Ik heb altijd op sociale politieke partijen gestemd, omdat ik wil dat er voor iedereen rechtvaardigheid en zoveel mogelijk gelijkheid is. Ik kijk verder dan het eigenbelang. Mijn blogs gaan vaak over onrecht, over misleiding, maar ook over de kansen die wij als maatschappij en als mensheid hebben om eerlijker te delen, elkaar te helpen en groener te leven. 

 

Terwijl ik ervaar dat mensen in mijn bijzijn geen tijd willen besteden aan mijn persoonlijke leed, interesses en belevenissen en dat ze liever over zichzelf praten of er alles aan doen om het lekker luchtig en gezellig te houden, realiseer ik me juist heel diep het lot van anderen. Ik ben echt begaan met het lot van Pietje, Paolo en Pjotr. Niet dat me dat tot een superieur, beter, liever of engelachtig mens maakt, maar dit is iets wat ik echt wel van mezelf kan zeggen zonder valse bescheidenheid.

 

Kleine gebaren kunnen het verschil maken. Een straatmuzikant zal ik altijd wat geven. Niet alleen geld, maar ook een vriendelijke glimlach, een complimenteuze duim of een warm woord. Ook bedelaars zal ik altijd in de ogen aankijken, zodat ze weten dat ze gezien worden. In het verkeer let ik er frequent op om hoffelijk te zijn (dat kost me soms moeite, haha) en ik hou meestal de deur open voor mensen als ik een winkel binnen of uitga.

 

Niet dat ik nou zo’n Barmhartige Samaritaan ben, helemaal niet, maar door een beetje attent te zijn, kun je toch een beetje een verschil maken in het gevoel en het humeur van anderen. Door vriendelijkheid kunnen mensen het vertrouwen in de medemens terugwinnen en een beetje blijdschap kweken.

 

Daarom doet het me pijn dat de maatschappij verhardt. Veel mensen stemden  tijdens de verkiezingen in 2012 gewoon weer rechts (asociaal in mijn ogen) of ontliepen hun stemrecht (net zo erg). Pure desinteresse.

 

Zo achteloos is het als je je stemmerspas kwijtraakt. Je hebt als burger 1 politiek recht en dat is dat je 1 keer in de 4 jaar kan stemmen. Als je dat recht dan negeert, dan ben je een tumor van de democratie. Geen enkel excuus is dan geldig. Je raakt je paspoort toch ook niet na een week kwijt? Het is gewoon desinteresse, nonchalance, onverschilligheid of denken dat het toch allemaal niks uitmaakt (dan geef je het dus feitelijk gewoon uit handen en op. Hoe leg je dat uit aan je kinderen en kleinkinderen?)!

 

Ik zal altijd blijven ijveren voor een milieuvriendelijkere en meer rechtvaardige wereld, maar nu ik constateer dat mensen me maar een beetje laten aan sudderen en met de ziel onder m’n arm laten lopen - ook familieleden - neem ik bewust wat meer afstand van hun persoonlijk leed. Ik lijd zelf al genoeg.

 

Echt hard zal ik nooit worden en onverschillig wil ik niet zijn. En toch ben ik harder geworden en wil ik nog harder worden. Die leuke jongen die vanmiddag aan de deur kwam, hij was ‘verkoper’ van het Rode Kruis, heb ik glashard 'nee!' verkocht (ik haat het trouwens als goede doelen aan huis komen. Ik vind dat een vorm van onder druk zetten en ik word niet graag gemanipuleerd of voor het blok gezet).

 

Ik vind de actie van Het Rode Kruis, dat ijvert voor opvang van 5000 doodzieke kinderen, heel erg sympathiek, maar ik heb zelf liquiditeitstekort en kan niet iedereen in de wereld redden. Niemand redt mij! Vroeger gaf ik altijd geld aan alle goede doelen, maar dat is verleden tijd. Eerlijk gezegd, doe ik meestal niet meer open als er een collectant voor de deur staat. Ik ben meestal te laf om hem of haar af te wimpelen. Als je weigert iets te geven, kijken ze je aan met een blik die jou een heel groot schuldgevoel moet bezorgen…

Mensen met meer geld sponsoren Het Rode Kruis maar. Ik kan en ik wil op dit moment geen cent missen. Dat is dan wél positief egoïsme! Sonny en ik dienen rond te komen van 2000 euro in de maand waarvan 1400 euro op gaat aan vaste lasten, waaronder benzine. Blijft er een kleine 600 euro over voor de dagelijkse uitgaven. Ik ben er tevreden mee, maar een vetpot is het geenszins. Gelukkig hebben we in mijn glorietijd bij Spot als monniken gespaard, zodat we een appeltje voor de dorst hebben. Echter, aangezien mijn vooruitzicht op een baan nihil is en we beiden nooit pensioen hebben opgebouwd, vrees ik soms het ergste voor onze oude dag, als die überhaupt is weggelegd voor mij of voor ons.

 

Dus als mensen om een donatie komen vragen, dan geef ik niet thuis. Ik denk wat meer aan mijzelf. Ik heb het al moeilijk genoeg. Ik wil heel graag een paar keer per jaar met vakantie, de enige momenten dat ik enigszins op adem kom, een beetje geniet en geluk voel.

 

Eigen ziel eerst! Dat doen al die andere zielen ook. Ik leef mee en doe al meer dan menigeen die het beter heeft dan ik, maar zelfs medeleven moet in geval van nood worden begrensd...