Achterdetraliesvandeangst.jouwweb.nl
Home » DEEL 4

DEEL 4

 

Hoofdstuk 20.

 

Vertel me en ik vergeet. Toon me en ik zal het me niet herinneren. Betrek me erbij en ik zal het begrijpen (Indianengezegde).

 

Mijn ambitie is niet minder geworden. Ik ben altijd een ambitieus mens geweest en mijn huidige, penibele toestand heeft daar de klad niet in kunnen brengen. Op de MAVO en de HAVO studeerde ik als een bezetene om de beste punten te halen (hetgeen lukte), als journalist zette ik altijd mijn beste beentje voor om ruim voor de deadline een zo mooi mogelijk verhaal in te leveren en als patiënt stel ik alles in het werk om verlichting te vinden en te genezen.

 

Mijn maatschappelijke ambitie is evenmin afgenomen, integendeel. Ik heb er altijd van gedroomd om columnist te worden en dat is de reden waarom ik kranten, tv-gidsen en weekbladen blijf bestoken met mijn sollicitaties, lezerscolumns en ingezonden brieven. In de hoop ‘ontdekt’ te worden, net zoals vroeger toen het weekblad ‘Voetbalwereld’ mij aanstelde als vaste medewerker naar aanleiding van de ingezonden brieven die ik wekelijks naar de redactie postte.

 

Het vervaardigen van een boek is eveneens een ambitie die ik nooit heb laten varen. Schrijven, is van begin af aan mijn passie geweest. Toen ik te klein was om te kunnen schrijven (ik was dus nog analfabeet), deed ik alsof ik schreef. Hele kladblokken pende ik vol met zogenaamde teksten. Tijdens een bezoek aan mijn Zeeuwse opa en oma  - ik zal een jaar of vier zijn geweest - was er geen schrijf- of tekenpapier meer over en ben ik overgestapt op het behang. Ik schreef ‘spookteksten’ op de wand. Vanzelfsprekend waren opa en oma en mijn ouders daar niet blij mee…

 

Er is meer. Het heeft altijd in mij gezeten om mensen te willen helpen, op welke manier dan ook. De paranormale genezing destijds heeft grote indruk op mij gemaakt en jarenlang hoopte ik dat ikzelf ook paranormale gaven zou kunnen ontwikkelen die me in staat zouden stellen om mensen op wonderbaarlijke manier te genezen. Maar helaas, dat talent is me niet gegeven.

 

Toch wil ik mensen helpen en redden. Zoals ik als kind mijn moeder troostte en als puber haar verdedigde tegen de agressie van mijn vader, zo wil ik nog steeds mensen uit de brand helpen en bewuster proberen te maken waardoor ze anders naar het leven kijken en de juiste keuzes gaan maken.

 

Die ambitie bracht mij er enkele jaren geleden toe om mijn kennis, praktijkervaring en inzichten als ervaringsdeskundige op het gebied van angststoornissen, uitputting, hoog gevoeligheid, anorexia nervosa, minderwaardigheidscomplex, hypochondrie, doodsangst en overspannenheid te willen aanwenden, teneinde andere mensen die in de knoop zitten met zichzelf op het goede spoor te zetten. Ik noemde mijzelf ‘Levenscoach’.

 

Het was (en is) de bedoeling dat ik mensen thuis zou ontvangen en adviezen zou geven, vanuit mijn ervaringsdeskundigheid dus. Het leek me een goede manier om op een mooie wijze nuttig bezig te zijn en wat geld te verdienen.

 

Natuurlijk kun je je afvragen of iemand die zelf nog flink worstelt en die nog maar weinig werk kan verzetten in staat is om andere ‘probleemgevallen’ op de rails te helpen zetten. Maar helpt de lamme de blinde niet? Een psycholoog of arts, heeft die zelf geen problemen en geen zwakke punten? Een voetbaltrainer is ook niet meer in staat om wedstrijden op hoog niveau te spelen, maar kan vanuit zijn ervaring, levenswijsheid en kennis wél heel goed zijn fitte spelers trainen, begeleiden en ‘onderwijzen’.

 

Ik vond en vind het dus niet zo’n gek idee om ondanks mijn lamlendigheid andere mensen van dienst te willen en kunnen zijn. Ik ben immers niet alleen maar ziek en lamlendig. Ik ben ook diepzinnig, ervaren, zo nu en dan wijs en leergierig. In de loop der jaren heb ik veel overwonnen en ben ik me van heel veel zaken bewuster geworden.

 

Bovendien weet ik waar de therapeuten en artsen - die natuurlijk altijd geraadpleegd moeten blijven worden - steken laten vallen, vooral als mens. Als patiënt heb je vooral behoefte aan een luisterend en geduldig oor, aan iemand die geen overhaaste conclusies trekt en aan iemand die door middel van het stellen van de juiste vragen jou dwingt om na te denken over je situatie, zodat je zelf tot oplossingen, inzichten en antwoorden komt.

 

Als patiënt wil je serieus genomen worden en wens je jezelf toe dat een hulpverlener werkelijk alles in het werk stelt en alles uit zichzelf haalt om je de weg naar het licht te wijzen of te helpen vinden. Psychologen en (huis)artsen hebben het vaak veel te druk om je intensief te begeleiden. Bovendien missen ze dikwijls de ervaring. Ik heb gemerkt dat heel veel therapeuten van alles over angsten en overspannenheid weten vanuit de boekjes en vanwege hun ervaring met patiënten (en dat is heel erg nuttig), maar dat ze toch nog steeds geen flauw benul hebben hoe het in werkelijkheid is en voelt. De professionals hebben het allemaal niet zelf aan den lijve ondervonden. Daardoor kunnen ze inderdaad met een benodigde afstand naar de problemen en patiënten kijken (zeer gewenst!), maar tegelijkertijd missen ze dientengevolge toch ook een bepaalde ‘ervaringswetenschap’. Althans, zo beleef ik het.

 

Laat ik benadrukken dat ik voor artsen en therapeuten oprecht zeer veel respect heb, dat ze vrijwel allemaal hun best doen en dat ik hen intens dankbaar ben voor hun inzet en kennis. Waar zouden we zijn zonder de medici?

 

Echter, ik denk dat meerdere wegen dan alleen de weg van de professionele, reguliere geneeskunde naar Rome leiden en dat het niet voor niets is dat heel veel mensen hun heil zoeken bij andere geneesmethoden en bij alternatieve genezers. Als zelfBenoemd Levenscoach heb ik overigens nooit de pretentieuze intentie gehad om de huisarts, psycholoog of professionele therapeut te vervangen. Ik geloof evenwel dat mijn bijdrage van aanvullende waarde, een ondersteuning, zou kunnen zijn.

 

Als uitgeputte fobielijder word ik immers iedere dag geconfronteerd met de kwalen en moet ik iedere dag manieren zoeken en vinden om daarmee om te gaan. Ik dien voortdurend op alles te letten wat een constructieve bijdrage zou kunnen leveren aan mijn welbevinden en herstel.

 

Ik ken het belang van een goede buikademhaling (is me door slechts één van de vele therapeuten op gewezen), ik weet hoe een ontspannen zithouding veel onnodige stress kan voorkomen (heb ik geleerd van de paranormale genezer die mij van duizeligheid verloste) en als geen ander besef ik dat vermijdingsgedrag averechts werkt.

 

Mijn minderwaardigheidscomplex en zelfhaat (qua uiterlijk vooral) heb ik overwonnen door mezelf ervan te doordringen dat ik heus niet stommer of lelijker ben dan al die andere mensen. Op een dag zag ik veel lelijkere mensen met schijnbaar veel zelfvertrouwen en een opgeruimd gemoed. Ik dacht: ‘waarom zou ik niet zo kunnen zijn? Zo stom en lelijk ben ik toch niet?! Ik ben knapper dan hen!’

 

Ik zette mijn positieve eigenschappen op een rijtje: lief, vriendelijk, geestig, zachtaardig, doorzetter, wilskrachtig, ambitieus, harde werker, invoelend. Dat waren meer voordelige karaktertrekken dan ik me ooit had gerealiseerd! Ook ging ik frequent voor de spiegel staan en dan keek ik bewust naar wat ik mooi vond aan mijzelf, zoals de kleur van mijn ogen en de vorm van mijn mond. ‘Ik hou van je, Duncan Robot’, zei ik dan tegen mijzelf. Het klinkt wellicht zweverig en bleu, maar het hielp. Gaandeweg ontwikkelde ik een sterker ego en een veel positiever zelfbeeld.

 

Anorexia (eetstoornis waarbij je drastisch lijnt, jezelf uithongert omdat je steeds slanker wilt zijn) overwon ik door mezelf er op een dag van te vergewissen dat ik mezelf ten gronde richtte door de vermageringszucht. Opeens werd me duidelijk wat dat strenge lijnen me had gebracht: ik was obsessief bezig met vermageren (beslist geen pretje), ik kon nooit meer genieten van eten of iets lekkers eten, mijn lichamelijke weerstand kelderde en ik zag er niet uit: je kon mijn ribben tellen.

 

Van de ene op de andere dag gooide ik het roer om en ben ik weer gewoon gaan eten. Nou ja, gewoon, ik ben iemand die het roer dan ook echt radicaal om gooit. Alles  wat ik gedurende die anderhalf jaar had gemist aan lekkernij, stopte ik nu gulzig in mijn mond. Ik ging gewoon weer alles eten wat los en vast zat en ik genoot ervan. Het resultaat is dat ik op het einde van mijn anorexia-periode59 kilowoog (ik ben1 meter76) en dat ik nu92 kiloweeg! Kon ik nu nog maar iets van die vermageringsdiscipline opbrengen die ik in mijn anorexia-tijd had, haha! Echter, liever dit dan die afschuwelijke obsessie om steeds slanker te moeten worden.

 

Mijn enorme doodsangsten waarbij ik ’s avonds in bed keihard begon te schreeuwen omdat ik dan besefte dat we op een dag van de aardbodem verdwenen zullen zijn, heb ik de das om kunnen doen door ook eens de voordelen van het dood-zijn in te zien: nooit meer tandarts, nooit meer slecht nieuws, nooit meer angsten, nooit meer pijn, nooit meer pleinvrees, nooit meer uitgeput, nooit meer rekeningen die betaald moeten worden…

 

Het klinkt misschien gek en bizar, zo’n opsomming ten faveure van de dood, maar deze benadering hielp me om mijn doodsangst en de dood te relativeren. Bovendien dacht ik aan hoe het zou zijn als we allemaal eeuwig zouden leven op deze aarde, in dit lichaam. Daar moet je toch ook niet aan denken? Het kan gewoon niet, klaar uit. Laten we gewoon van dag tot dag leven, er het beste van maken en de rest zien we morgen dan wel weer. Het zou zonde zijn van de kwaliteit van leven om de hele dag te gaan zitten kniezen over de dood, terwijl je zoveel leuke dingen kan doen terwijl je nog leeft! Je kan aan het einde leven zeggen dat je je hele leven bang bent geweest voor de dood, maar het is veel fijner om te kunnen zeggen dat je blij bent dat je hebt geleefd.

 

Met mijn vliegangst rekende ik af door mezelf over te geven aan de piloot. Ik realiseerde me ineens dat ik het niet zelf in de hand heb of we veilig zullen landen of dat we neerstorten. Go with the flow! Nog belangrijker was dat ik mezelf kon doen geloven dat vliegen een van de veiligste manieren van vervoer is (wat zo is). Ik dacht bij mezelf: ‘er stijgen dagelijks zo ontzettend veel vliegtuigen op en wanneer gaat het fout? Zelden! Op de autoweg gebeuren veel meer ongelukken!’ Nog altijd vind ik het niet leuk als het vliegtuig door turbulentie begint te schudden en het landen blijf ik spannend vinden (“Zet die kist aan de grond, man!”), maar tegenwoordig kan ik van een vlucht zelfs genieten.

 

Door mijn pleinvrees heb ik wel nog veel last op het vliegveld zèlf. Ik vind het moeilijk om op mijn benen te blijven staan in een lange wachtrij en ik ga op het vliegveld meestal ergens zitten waar het niet zo druk is en waar ik niet tussen heel veel mensen hoef te zitten. In de drukte word ik paniekerig. Het liefste heb ik niemand naast me of achter me.

 

Op sommige luchthavens (waar de prijsvechters landen en vertrekken) moet je van de gate naar het vliegtuig lopen, gedeeltelijk over de startbaan. Dat zijn voor mij hachelijke momenten. Dan speelt de pleinvrees of ruimtevrees me parten en moet ik omringd worden door mijn vrouw en kinderen om niet aan de angst te bezwijken, in paniek weg te vluchten of flauw te vallen (wat nog nooit is gebeurd, maar ik heb wel vaak het gevoel flauw te GAAN vallen). Al moet ik bekennen dat ik de laatste tijd wat vaker zonder angstgevoelens over pleinen kan lopen. Ook dat gaat dus crescendo. Langzaam maar zeker reken ik met al mijn demonen af!

 

Met mijn telefoonseksverslaving tijdens mijn adolescentie heb ik korte metten gemaakt door op een dag bewust te gaan optellen wat al dat bellen met sekslijnen me had gebracht. He-le-maal niets! Integendeel, ik realiseerde me eindelijk dat het me alleen maar ellende had opgeleverd, deze bezetenheid. Hoge telefoonrekeningen, stiekem gedoe, frustratie, stress, schuldgevoelens en geen enkel seksafspraakje! Beter laat dan nooit besefte ik dat de sekslijnen vrijwel allemaal nep waren en dat het alleen maar een melkkoe was voor de beheerder van die lijnen.

 

Het is niet zo dat ik van de ene op de andere dag helemaal kon stoppen met mijn verslaving, maar beetje bij beetje begon ik steeds minder te bellen en uiteindelijk verdween mijn behoefte vrijwel volledig.

 

Genoeg redenen en aanleiding voor mij om mensen te helpen, als Levenscoach. Ik plaatste daarom een goedkope advertentie in een gratis huis-aan-huis-krant. ‘Last van angst en uitputting? Bel levenscoach Duncan Robot’. Er reageerde slechts één man op, maar die heeft nooit een afspraak gemaakt. Dat viel tegen. Ik liet nog zo’n advertentie plaatsen, maar daar kwam helemaal geen reactie op.

 

Vervolgens besloot ik gebruik te maken van de geweldige mogelijkheden die internet biedt. Ik bouwde een eenvoudige website. Op deze website plaatste ik artikelen over mijn levensloop, over mijn inzichten en levensvisie en ik bood mensen aan om hen raad te geven, als ze die nodig hadden. De website - en aan aantal andere gerelateerde websites - waren tot voor kort (januari 2013) in de lucht, maar tot op heden heb ik er geen enkele klant mee binnen gehaald.

 

Waarschijnlijk schrikken mensen niet alleen terug van de lange lappen tekst op de website en van mijn eigengereide levensvisie, maar ook van het feit dat ik slechts een ervaringsdeskundige zonder diploma ben. Het wantrouwen kan ik me indenken, en toch denk ik dat ik mensen die de weg een beetje kwijt zijn op weg kan helpen.

 

Bovendien schrikken mensen misschien van al mijn andere teksten op internet. Als ze mijn naam op Google ingeven, dan stuiten ze mogelijk op de erotische gedichten die ik heb vervaardigd en op mijn controversiële politieke meningen. Ik heb over veel dingen een uitgesproken opinie, afwijkend van de mening van veel mensen. Echter, wat mensen vermoedelijk het meest afschrikt, zijn mijn ontzettend openhartige en emotionele teksten die ik frequent op mijn weblog zet. Die emotionele diarree stinkt mogelijk teveel. Als mensen lezen dat ik tijdens een momentopname heb geschreven dat ik het leven niet meer zie zitten, dan denken ze natuurlijk: ‘en die vent moet ons uit de brand helpen?!’

 

Echter, denk je nou werkelijk dat de huisarts geen problemen en geen lichamelijke en/of psychische kwalen heeft? Denk je nou werkelijk dat de therapeut nooit heel erg geil is? Het verschil met mij is dat ik werkelijk alles van mijzelf laat zien, mijn hele mens-zijn. Ik beschrijf wat zich tussen mijn benen, in mijn hart, tussen mijn slapen van mijn hoofd en wat zich tussen mijn twee ogen afspeelt. De meeste mensen laten alleen maar één kant van zichzelf zien. Hun onkwetsbare kant, hun kracht, hun vreugde. De positieve zijde. Daar scoren ze mee. Daar dwingen ze respect en gezag mee af.

 

Ik snap dat het zo werkt, maar ik vind het onvolledig en hypocriet. Het nadeel van mijn ‘methode’ is, dat niet iedereen mijn emotionele exhibitionisme kan waarderen en dat daardoor deuren voor mij in het slot vallen. Ik weet nog dat ik door de eindredactrice van Playlist werd gebeld. Van de hoofdredacteur moest ze tegen mij zeggen dat ze de vulgaire erotische gedichten van mij op internet niet konden waarderen en dat deze uitingen de reputatie van het weekblad zouden kunnen schaden. ‘Hoor wie het zegt’, dacht ik, maar ik liet de eindredactrice naar waarheid weten dat ik al jaren geen erotische gedichten meer vervaardigde, maar dat ik ze niet kon verwijderen van de website, eenvoudigweg omdat het mijn website niet is.

 

Openheid en taboeloosheid worden meestal niet op prijs gesteld, is mijn ervaring. Ik vind dat jammer. En schijnheilig.

 

Hoofdstuk 21.

 

Dank de Grote Geest voor elke nieuwe dag (Een van de tien geboden van de indianen).

 

Ik heb er bewust voor gekozen om zo openhartig mogelijk te schrijven op mijn weblogs. Alhoewel, die gewoonte komt natuurlijk vooral voort uit een diepe behoefte om emotionele puin te ruimen en om mensen te laten weten hoe mijn dagelijks leven er écht uitziet. Je kunt je dus afvragen of het een bewuste keuze was of een gedwongen noodzaak om ongegeneerd mijn hart open te stellen.

 

De tijd dat ik net deed alsof alles koek en ei was, ligt hoe dan ook heel ver achter me. Ik speel geen toneel en geen verstoppertje meer, en dat ervaar ik als een enorme bevrijding.

 

Internet is een uitkomst. Je kan je teksten met iedereen over de hele wereld delen. Iedereen kan tegenwoordig zelf publiceren dankzij de mogelijkheden die weblogs, Facebook en websites je bieden. Je bent als amateurschrijver of als beginnend scribent niet meer afhankelijke van de wil van een krant of uitgever om je stukje of boek te publiceren. Als je een brief of ingezonden brief naar iemand of naar een mediabedrijf hebt geschreven, hoef je geen weken of maanden op antwoord te wachten, maar binnen een paar seconden kun je al een reactie krijgen via de digitale snelweg.

 

Voor iemand die veel en graag schrijft en die zijn schrijfsels wil delen met anderen, is internet dus een ideaal medium. Zolang je een uitvinding op een goede manier gebruikt, is het een goede uitvinding en ga je er op een constructieve en gezonde wijze mee om. Zodra je slecht om gaat met een bepaalde mogelijkheid, dan breng je jezelf en soms anderen in de problemen.

 

Ik geloof evenwel in de wijze waarop ik gebruik maak van internet. Ik ben in mijn blogs oprecht, eerlijk en openhartig. Echter, ik heb de mogelijkheid voor mensen om te reageren op mijn webloguitingen geblokkeerd, omdat ik te vaak negatieve reacties kreeg van mensen die me digitaal begonnen uit te schelden of belachelijk meenden te moeten maken.

 

De zogenaamd journalistieke website Stijlloos heeft zelfs een keer geschreven dat ik een alcoholist ben met borderline. Ik drink amper alcohol, ben zelden aangeschoten en ik heb geen borderline, maar uit mijn weblogteksten dacht Stijlloos, zo stijlloos als de pest, dat blijkbaar allemaal op te kunnen maken. Dat digitale ijsbeentje van Stijlloos was naar aanleiding van een complimenteuze ingezonden brief in de Varagids aan het adres van VARA-journalist en columnist Francisco van Jole. In deze ingezonden brief uit mijn koker stak ik de loftrompet over de inzichten die Van Jole als verbale columnist in het journalistieke tv-programma ‘De Leugen Regeert’ te berde bracht. Ik wist toen nog niet dat Stijlloos een vermeende heksenjacht had ontketend op Van Jole, alleen maar omdat hij volgens de rechtse goegemeente te linkse ideeën zou hebben.

 

Dezelfde dag dat de Varagids met mijn brief was verschenen, werd ik door een anonieme man, zonder nummerweergave, gebeld. “Heeft u dat stukje over Francisco van Jole geschreven? Oh, ik dacht dat hij het misschien zelf had geschreven, want het was zo complimenteus. U vindt hem goed? Ja, ik ook wel, goedendag.” Niet veel later ontdekte ik bij toeval op internet dat de website Stijlloos een heel item aan mijn brief had gewijd. Degene die mij had gebeld, was dus een redacteur van Stijlloos geweest. Hoe laf en hoe pathetisch kun je zijn?!

 

De bezoekers van de website wensten Francisco dood (deaud, zoals zij dat schreven) en ik werd van alle kanten belachelijk gemaakt. Via internet maak je helaas ook kennis met de meest geschifte figuren.

 

Ik werd, toen ik nog reacties toeliet op mijn blogs, zeer dikwijls bestookt met mails van een godsdienstwaanzinnige. Iedere keer als ik in een blogje het bestaan van God ontkende of in twijfel trok, dacht deze vrouw mij te moeten en te kunnen bekeren en me erop te wijzen dat ik niet deugde. Ze schreef zo nu en dan de meest onsamenhangende en vulgaire dingen. Op een gegeven moment was ik het zat en heb ik haar waarschuwingsmails gestuurd dat het digitale stalken afgelopen moest zijn en dat ik haar mailadres aan de politie had doorgebriefd (wat ik ook echt heb gedaan). Sindsdien was het voorbij. Zij was evenwel niet de enige die op ziekelijke wijze reageerde. Op een gegeven moment ging er geen week voorbij of er was wel weer iemand die me een ‘mafkees’ noemde of die schreef dat ik dan maar zelfmoord moest plegen als ik toch zo graag dood wou.

 

Gelukkig zijn er tevens mensen geweest die hebben laten weten dat ze steun hebben aan mijn teksten, of dat ze genieten van mijn schrijfstijl. Er zijn mensen die me positieve raad en tips hebben gegeven. De meeste mensen die normaal reageerden, mankeerden zelf iets en herkenden in mijn emoties hun eigen gemoed en in mijn strijd hun specifieke gevecht. Ieder gevecht heeft overeenkomsten met een andere strijd.

 

Ik maakte kennis met respondenten die (ook) last hadden van anorexia, van krakende hersenen, van een burn-out, van depressies en van uitputting. Meestal reageerde ik uitgebreid en persoonlijk op hun ontboezemingen aan mijn adres. Ik hielp hen en hun reactie hielp mij. Het bracht mij tot het inzicht dat iedereen wel iets mankeert en dat heel veel mensen die minder mankeren dan ik misschien wel vele grotere en ergere problemen hebben, zoals een slecht huwelijk, een slechte relatie met de kinderen, ruzie met de hele familie of chronische ontevredenheid.

 

Toch laat ik nog steeds geen reacties via mijn blogs en websites toe, omdat ik erg van slag raak door de vele botte, beledigende, belerende en negatieve reacties van mensen. Ik wil daar niet mee geconfronteerd worden. Het ergste vind ik dat al die negatieve mensen te laf zijn om hun echte naam en woonplaats te vermelden, en dat ze dus altijd anoniem of met een verzonnen naam reageren. De mensen die het lef hebben om mij met hun eigen naam en adresgegevens te benaderen en die echt de behoefte voelen om mij te schrijven, vinden daar wel een manier voor. Sindsdien heb ik (via e-mail) alleen nog maar contact met fatsoenlijke mensen, al besef ik dat dit gevaarlijk is om dat hier zo te vermelden, omdat mensen met slechte bedoelingen het als een uitdaging kunnen opvatten om me lastig te vallen.

 

Echter, al met al ervaar ik het internetten als heel positief, en doet het mij goed om digitaal mijn hart te luchten, zeker omdat ik alle werkdagen van de week alleen ben en niemand heb om mijn grieven en inspiratie mee te delen. En al was ik niet alle dagen alleen, dan nog zou ik mijn toevlucht zoeken tot het geschreven woord, omdat ik verbaal veel minder lenig ben en ik het lekker vind om zonder onderbrekingen en zonder signalen van desinteresse of afgezwakte aandacht van de luisteraar mijn verhaal te doen.

 

Ik ga er dan ook mee door, met het fabriceren van openhartige teksten en van het uiten van mijn meningen. Echter, dat houdt niet in dat ik mezelf nooit vragen stel bij mijn geschreven stripacts. Ik vraag me heus wel eens af of ik dit nou wel zo moet doen en er zijn momenten dat ik toch wel schaamte voel als ik teruglees hoe ik zonder remmingen heb geschreven over een doodswens, een geile bui of mijn algemene levenspijn.

 

Vandaag schreef ik over mijn twijfels op mijn weblog het volgende. Is het een gewoonte van me geworden om op weblogs veel te schrijven over mijn kwalen, levenspijn en vermoeienissen? Is dat een gezonde gewoonte (therapie) of sla ik er soms ook wel eens te ver in door?  En wat voor effect hebben mijn teksten op mijn kinderen? Nu lezen ze nog niet veel van me maar wat als ze ooit op mijn diepste emotie-webloguitingen stuiten, op uitingen die voor hen onbekend en te heftig zijn?

 

Ik merk nu al dat ik thuis beter op mijn woorden moet passen, want het is niet de bedoeling dat mijn uitingen van wanhoop en frustratie op het kroost een negatieve impact hebben, dat mijn pijn hun kwaal wordt en dat zij daardoor een negatief beeld krijgen van het leven en van de maatschappij. Ik wil hen versterken, niet verzwakken. Ze moeten nog een heel leven mee.

 

Ik ben een leuke vader als ik hen moet geloven (ze maken het me echter heel makkelijk, want het zijn hele lieve, leuke kinderen, met veel pit en humor), maar ook leuke vaders maken fouten en moeten zichzelf soms bijsturen. Eigenlijk zou ik mijn nazaten willen adviseren om mij nog een hele lange tijd niet te volgen op internet. Mijn vrouw doet dat ook niet. Mijn uitingen kunnen zo intens negatief zijn, dat ze er liever niet mee wordt geconfronteerd. Ze staat te dicht bij me om dat te kunnen managen.  Het doet haar teveel pijn. En natuurlijk wil ze er ook wel eens afstand van kunnen nemen…

 

Hoofdstuk 22.

 

Laat geen gras groeien op het pad van vriendschap (Indianengezegde).

 

Alhoewel mijn angsten zich voornamelijk buitenshuis en in de open lucht manifesteren, heb ik grote behoefte aan buiten-zijn. Ik ben immers altijd een buitenmens geweest, en dat gaat door pleinvrees heus niet over. Als kind en als puber was ik altijd op een veldje te vinden met mijn vriendjes. We voetbalden dan tot etenstijd, en vaak tot ver daarna. ’s Avonds voetbalde ik urenlang met mijn buurjongen Marcel op straat. Zoals ik al schreef, maakte ik dikwijls lange fietstochten en met mijn vriend ben leefde ik me soms wel drie uur lang uit op de tennisbaan. Ik was niet alleen een sportmens, maar ook een volbloed buitenmens. En een natuurliefhebber. 

 

De natuur is mijn kathedraal, zeggen natuurliefhebbers wel eens, en die vlieger gaat beslist ook voor mij op. Regelmatig zoek ik stiltegebieden op om alleen te kunnen zijn met de vogels, de bloemen, de struiken, de paddenstoelen, de paarden of koeien in de wei en met de bomen. In de natuur kan ik mijn accu opladen en krijg ik vaak mijn beste ideeën. In het bos, langs de akkers of langs de weidevelden ben ik op m’n gelukkigst. Dan voel ik meestal diepe dankbaarheid dat ik leef en dan weet ik waarom ik ben geboren: om getuige te mogen zijn van Het Wonder.

 

Omdat Moeder Natuur mij zo lief is, doet het me al van jongs af aan heel erg veel pijn dat de zeeën en meren vervuild raken, dat de regenwouden kaal worden gekapt, dat we met z’n allen de lucht vervuilen en dat steeds meer diersoorten dreigen uit te sterven. Dat gaat mij werkelijk aan het hart.

 

Toen in 2008 het distributiebedrijf E. een vestiging wilde neerzetten in het natuurgebied De Varen in een dorp verderop (van waar ik woon), heb ik me daar fel tegen verzet. Ik wandel daar vaak. Het is een prachtige laan met oude bomen, langs de akkers met koeien, waar geen gemotoriseerd verkeer mag komen. Soms zie ik er een valk vliegen of reeën lopen. Maar ook van de lieveheersbeestjes, de vlinders en de kevers kan ik genieten. Dikwijls leun ik er tegen een boom en kijk ik uit over de velden.

Ik heb de directie van het distributiebedrijf, dat voornemens was om De Varen om te toveren tot een gigantisch bedrijvencomplex, een brief geschreven waarin ik me afvroeg waarom het bedrijf uitgerekend in een mooi natuurgebied wilde bouwen, terwijl er zoveel bedrijven op industrieterreinen leeg staan en er zoveel industrieterrein braak ligt. Deze brief mailde ik tevens door naar de redactie van Het Zuiden die mijn schrijfsel plaatste.

 

Wat waarschijnlijk bijna niemand weet, is dat ik tot twee keer toe protestbrieven met punaises aan enkele bomen in het natuurgebied vastmaakte, met teksten als ‘De Varen moet groen blijven’. Deze brieven werden helaas binnen het uur weggehaald, ik weet niet door wie.

 

Gelukkig kwam het bedrijf er niet (ik weet niet wat de reden is) en is het groene oord nog steeds zoals het was en behoort te zijn: natuurgebied. Het zal heus niet te danken zijn aan mijn brievenacties dat De Varen tot dusver onaangetast is gebleven, maar het geeft me wel voldoening dat ik ‘mijn zin heb gekregen’.

 

Vrijwel wekelijks wandel ik door de genoemde laan. Dan snuif ik de frisse lucht op, luister ik naar de vogels, geniet ik van het lichtspel van de zon op de herfstbladeren (de herfst is mijn favoriete seizoen) en dan wordt het wat stiller in mijn hoofd. Wandelen is een dagelijkse behoefte van me geworden. Ik heb mezelf aangeleerd om langzaam te wandelen, om tijdens de voettocht mijn pas behoorlijk te vertragen. Ik heb namelijk te neiging om letterlijk te hard van stapel te lopen. Die opgejaagde loop is denk ik een teken van de gespannenheid.

 

Ik heb gemerkt dat je, als je langzaam en zonder haast wandelt, rustiger wordt van binnen én dat je dan veel meer in je kan opnemen. Je ziet en hoort meer. Langzaam wandelen totdat je in plaats van je gedachten je eigen voetstappen kan horen, is heel deugdzaam en heilzaam. Voorwaarde is natuurlijk wél dat je ook echt van je wandeling geniet en je je open stelt voor de natuurgeluiden en voor de geuren en kleuren. Anders had je net zo goed binnen kunnen blijven. Ik zie wel eens mensen wandelen en die kijken dan alleen maar naar de grond of ze zijn heel druk in gesprek over allerlei zorgen en problemen. Dat vind ik zonde van een wandeling. Het is juist zo heerlijk om, als je door de natuur of door een mooie stad kuiert, om je heen te kijken en te genieten, om je zorgen even van je af te zetten.

 

Ook vandaag heb ik gewandeld. Helaas ging het niet zo voortvarend. Ik schreef er op mijn weblog het volgende stukje over…

 

Op de heenweg, langs de bosrand en met aan de overzijde de omhoog geploegde aspergebedden, ging het enigszins nog, maar teruggaande, naar de auto - 250 meter (het leek wel 250 kilometer) - kreeg ik opeens – een lichte paniekaanval: ik moest hevig slikken, ik had het gevoel voorover gedrukt te worden, ik had dronkenmansbenen, alsmede een stokkende ademhaling, angst en iets wat op bewustzijnsvernauwing leek...

 

Als ik me lichamelijk zwakker voel - zoals nu door de urineweginfectie - neemt de paniek/angst altijd toe en ook de pleinvrees. Plekken die gewoonlijk beschut aanvoelen, zoals een bosrand, zijn dan nog te open voor me.

 

Vandaag kan ik de malaise evenwel heel goed relativeren: ellende hoort er nou eenmaal bij, it's part of the game. Niet teveel aandacht aan besteden, aan die shit. Laat ik beter maar wat meer plek inruimen voor de dingen die wél leuk zijn en die wél goed gaan in mijn leven. Je hebt grote kans dat je dan je kwalen haast vergeet: als je er niet telkens op ligt te hameren, sla je je niet op je duim. In elk geval wordt de rol van de shit dan wat kleiner.

 

Maar de ene dag gaat het relativeren wat beter dan de andere dag en het ligt ook nog eens aan de intensiteit van de kwaal. Als een kwaal je helemaal in beslag neemt, zoals kanker op het toppunt, dan word je gewoon ontvoerd door de pijn, de angst en de zorgen. Dat heb ik gezien bij mijn moeder die normaal gesproken ertoe in staat is om alles weg te lachen, maar die op het hoogtepunt van haar lijdensweg die kanker heet geen schim meer was van wie ze altijd is geweest. Ze viel bij het eten uitgeput in slaap, wist de volgende dag niet meer hoe ze thuis was gekomen (dat wij haar hadden gebracht) en ze was veel kritischer op en negatiever over mensen. Ze zei soms dat ze bang was en dat het voor haar allemaal niet meer hoefde.

 

Ik zit maar niet te lang in over mijn paniekaanval. Ik leef nog. Vanmorgen heb ik, na de paniekaanval, nog even aan de rand van een groot grasveld gestaan. Ik vind dat heel mooi, een uitzicht over een knalgroene weide. Ik mag dan ruimtevrees oftewel agorafobie hebben en niet meer op een grasveld durven staan of lopen, ik hou desondanks van de weidsheid van een landschap. Green green grass of Hope. Niemand anders die daar letterlijk bij stil staat, maar ik wel. Ik geniet heel bewust van de natuur en vooral van het genieten zelf.

 

Het beangstigt me soms dat wij mensen de aarde uitputten en dat we steeds meer natuur vervangen door beton. Zojuist een opgenomen documentaire gekeken over bedrijven als Ikea en Siemens die de grote steden inrichten, op een meer sociaal verantwoorde en duurzame (goed voor het milieu) wijze. In 2050 zullen er naar verwachting 7 miljard mensen in de steden wonen. Steden worden dus steeds drukker, voller en groter. Met als gevolg minder behoefte aan verdeelde voorzieningen en infrastructuur. Gelukkig zijn er organisaties en ook commerciële organisaties en bedrijven die – soms ondanks hun commerciële doelen – nadenken over een groenere samenleving. Dat geeft een beetje hoop.

 

Aan de andere kant… hoe goed de bedoelingen van zulke bedrijven misschien ook zij, ik hou zelf toch veel meer van kleinschaligheid: minder mensen in minder grote dorpen, en al zeker in minder grote steden. We belasten Moeder Aarde veel te erg. Geboortebeperking zou heel goed zijn, maar dan wel in combinatie met consuminderen en consumanderen. Misschien dat mijn eventuele achter-, achterkleinkinderen dan ook nog zo van de natuur kunnen genieten als ik.

 

Hoofdstuk 23.

 

Wees niet bang om te huilen. Het zal je geest bevrijden van treurige gedachten (Hopi).

 

Toen ik de feestelijke uitnodiging onder ogen kreeg van mijn peetoom en peettante vanwege hun gouden bruiloft voelde ik me onnoemelijk bezwaard. Van nature hou ik van een feestje en tijdens de carnavalsdagen ging ik als puber helemaal los, maar sinds ik die verrekte angsten en paniek heb, kan ik me zelfs op de leuke dingen niet meer verheugen. Naar een feestje toegaan, is voor mij geen leuk vooruitzicht. Immers, de ervaring heeft geleerd dat ik me in grote zalen en onder veel mensen niet op mijn gemak voel en dat de paniek dan voortdurend zit te stoken.

 

Ik legde de uitnodiging met een knoop in mijn maag terzijde en twijfelde of ik haar zou afslaan of dat ik alle moed bij elkaar zou rapen en zou gaan. Ik wist dat mijn peetoom en peettante verguld zouden zijn met mijn komst en dat ik hen dus een enorm groot plezier zou doen. Het zijn hele lieve mensen met niet alleen een heel warm hart voor elkaar maar eigenlijk voor iedereen. Betere mensen ken ik niet. Er zit geen kwaad in.

 

Dolgraag wilde ik hen blij maken door mijn opwachting te maken op hun vijftigjarige bruiloftsfeest, maar aan de andere kant zag ik huizenhoog op tegen een avond hangen en wurgen. En tegen het opzien zelf!

 

Eigenlijk is het van de gekke dat je je op een heuglijk gebeuren niet eens meer kan verheugen! Het is van hetzelfde laken een pak als we een vakantie hebben geboekt. Dat brengt voor mij iedere keer hele dubbele gevoelens met zich mee. Enerzijds heb ik iets om naar uit te kijken en verheug ik me erop om ergens te zijn waar het mooi en anders is, maar anderzijds ben ik al sinds het moment van boeken bang dat ik de reis lichamelijk en geestelijk niet aan zal kunnen en dat het een slopend gevecht wordt tegen angst en uitputting.

 

Ik zie mezelf in mijn helse dagdromen dan een paniekaanval krijgen op het vliegveld en naar de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis afgevoerd worden met de ambulance. ‘Of stel je voor’, denk ik dan, ‘dat ik gek word in het vliegtuig? Waar moet ik heen als ik mentaal onwel word in die koektrommel?!’ Ik ga wel eens naar het theater - ik sleep mezelf ernaar toe - en als ik dan in de zaal zit, krijg ik de behoefte om keihard te gaan schreeuwen. “Vuile klootzakken!” Een soort van eenmalige, acute Gilles dela Tourette-aanval. Eenuiting van pure spanning en frustratie. Stel je voor dat ik in een vliegtuig zou gaan schreeuwen of in paniek zou raken! Wat dan?! Onze kinderen zouden getraumatiseerd raken!

 

Het ergste ooit heb ik opgezien tegen de rondreis door India en Nepal, in 2000. Onze zoon was nog maar een half jaar oud toen we vertrokken. Sonny en ik hadden nog voor zijn geboorte – heel bewust – deze reis geboekt. Ik denk dat heel veel ouders van een half jaar oude baby dat nooit zullen doen en onze actie veroordelen, maar voor ons is reizen een levensbehoefte. Niet een levensbehoefte die voor de kinderen gaat, maar we wisten dat onze kinderen bij mijn schoonouders aan goede zorg toevertrouwd waren. Of ik het nu nog zo zou doen, is een tweede.

 

Alhoewel… Vergeet niet dat onze zoon een huil-baby was die niet makkelijk insliep en die al helemaal nooit doorsliep. We hadden die vakantie heel erg nodig. Sonny en ik waren aan het einde van ons Latijn. Annuleren, was daarom geen optie. We moesten echt even weg. Als we niet voor zijn geboorte een vakantie hadden uitgezocht, dan hadden we dat wel na het eerste half jaar gedaan, om bij te kunnen tanken van al die slopende nachten.

 

Het was een droomreis die ik heel graag wilde maken. India en Nepal leken me een van de meest interessante en mooiste landen ter wereld. Maar ik ben meer dan een half jaar voordat we vertrokken verschrikkelijk bang geweest dat ons vliegtuig zou neerstorten en dat de reis veel te zwaar voor mij zou zijn. Als je met een groep reist, moet je dikwijls gezamenlijk eten en zit je urenlang met en bij elkaar in de bus. Als je dan een paniekaanval krijgt, dan is het hele gezelschap er getuige van. Dat idee stond me zeer tegen.

 

Echter, ik was met name bevreesd dat we de reis om welke reden dan ook niet zouden overleven en dat de kinderen wees zouden worden. Ik schreef zelfs afscheidsbrieven voor de kinderen en stelde een brief op waarin ik mijn wensen voor mijn begrafenis kenbaar maakte. Die brieven gaf ik aan mijn moeder in een gesloten envelop. Als we het niet zouden overleven, moest ze die brieven pas openmaken. Gelukkig heeft ze de sentimentele schrijfsels ongelezen kunnen verscheuren.

 

Ik heb trouwens altijd last gehad van reisangst. Ook toen mijn ouders, mijn zussen en ik op vakantie gingen naar Spanje, met de auto, was ik gedurende de hele reis doodsbang dat we een fataal ongeluk zouden krijgen en dat we bijvoorbeeld door een vrachtwagen geschept zouden worden. Een week voor de terugreis begon ik me al weer zorgen te maken over de gevaren op de terugweg.

 

Bovendien heb ik gaandeweg een angst ontwikkeld dat we tijdens een vakantie slecht nieuws krijgen uit Nederland. Dat er iemand die me dierbaar is, dood is gegaan of doodziek is geworden, dat we onze vakantie moeten afbreken, dat ik ter plekke gek word door de onverteerbare emoties (ik ben immers helemaal niet stressbestendig en zeer kwetsbaar) en dat de ellende niet is te overzien.

 

Ik denk dat ik deze specifieke angst heb gekregen nadat mijn lievelingsoom Theo, een broer van mijn moeder, tijdens mijn vakantie in Disneyland Parijs is overleden. Bij thuiskomst, vond ik zijn rouwkaart op de keukentafel. Mijn moeder had het niet aangedurfd om mij tijdens mijn vakantie op de hoogte te stellen van het trieste nieuws, omdat ze bang was dat ik daar door zou draaien. Attent van haar. Na zijn dood heb ik heel lang last gehad van hevigere paniekaanvallen en van een verminderde lichamelijke weerstand. Iedere stress wordt me fataal.

 

Hoe dan ook, de maanden voor onze reis naar India was ik super angstig en gespannen. Ik was 24 uur per dag ongerust over de voorgenomen reis. Niet alleen was ik doodsbang dat de reis teveel van mijn zenuwen zou vergen en dat we het niet zouden overleven door een vliegtuigongeluk of door een bus-ongeval ter plekke, maar ik wist tot overmaat van ramp dat er een boottochtje over de heilige rivier de Ganges op het programma stond. Ik wist dat de Indiase bevolking aan de oever van de Ganges mensen cremeert en dat dode mensen of resten van dode mensen in het heilige water worden gedumpt. Toen was ik nog als de dood voor de dood en ontzettend bang om geconfronteerd te worden met half verbrande lijken die zouden komen bovendrijven als wij over de Ganges voeren. Ik was door al deze angsten zo gespannen als een veer toen we vertrokken. Een week voor vertrek was ik nog bij een gebedsgenezer geweest die me ontving in een heel klein, ongezellig en ongezellig verlicht kamertje. Ik moest op een kleine, te lage, keiharde stoel zitten en ik weet niet wat hij allemaal deed en brabbelde, maar de man was één brok onrust en maakte me nog nerveuzer dan ik al was. Ik kon het niet aan, brak zijn behandeling af en zei dat hij me verschrikkelijk op mijn zenuwen werkte. De gebedsgenezer ontkende dat hij heel onrustig was en werkte me, zonder dat ik hoefde te betalen, snel en zwijgzaam de deur uit.

 

Hoe ik de reis naar en door India en Nepal heb aangekund… ik weet het nog steeds niet. Een hogere macht moet me hebben bijgestaan en me door alle moeilijke momenten hebben geloodst. Het was inderdaad loodzwaar voor mij en er waren een paar hachelijke momenten waarop ik in de bus een hevige paniekaanval kreeg waarbij al mijn krachten wegvloeiden uit geest en lichaam maar ik helemaal niets probeerde te laten merken (waarin ik wonderwel slaagde). En we overleefden het. Hoewel ik bijna letterlijk in mijn broek scheet van angst maakten we zelfs met een heel klein vliegtuigje een tocht boven de Himalaya in Nepal. We mochten even in de cockpit komen om te kijken naar en foto’s te maken van de machtige sneeuw- en bergtoppen. Ondanks mijn vliegangst en hoogtevrees een geweldige ervaring, maar ik was pas weer gerust toen we veilig landden. De spanning in mij was gedurende dat vliegtochtje zo groot en haast ondraaglijk geweest dat het ik bang was dat het me fataal werd. Ik redde het, maar na de reis heb ik maandenlang moeten bijkomen van de vermoeienissen. Optimaal ergens van genieten, is er voor mij eigenlijk bijna nooit bij. ben ik te benijden?

 

Een jubileumfeestje van je peettante is slechts één avondje en dus iets heel anders dan een buitenlandse onderneming van drie weken, maar ik loop altijd op mijn tandvlees en ik wil mezelf niet nog meer belasten. Ik heb dan ook heel lang getwijfeld of ik naar de gouden bruiloft zou gaan. Dan besloot ik niet te gaan, dan weer wel. Gek werd ik van die oorlog in mijn hoofd. Ik heb zelfs nog stilletjes gehoopt dat mijn jubilerende familieleden het feest zouden (moeten) afzeggen, zodat ik sowieso niet zou hoeven te gaan. Nood breekt alle ethische wetten. Het feestje was over vier drie weken en iedere dag zat ik ermee in mijn maag.

Echter, op een gegeven moment was ik het zat om in de rats te zitten en mijn dagen te vergallen en heb ik tegen mezelf gezegd: ‘Zet het van je af. Eerst maar eens vandaag, en dan zien we morgen wel weer verder. Geen zorgen voor morgen. Denk maar eens aan het lekkere eten dat je zult krijgen en aan het plezier dat je je peetoom en peettante doet als je gaat’.

 

Deze tactiek hielp. Als je ergens huizenhoog tegenop ziet, lijdt je het meeste van het lijden dat je vreest. Inwendig bouw je enorm veel spanning op, waardoor je je geest en lichaam geselt. Ik weet dat actrice en zangeres Wieteke van Dort haar straatvrees niet alleen heeft overwonnen dankzij meditatie en het herhalen van de mantra ‘Aum’, de meest mystieke en heilige lettergreep in India, maar ook door zich weer te herinneren hoe graag ze buiten was en door zich voor te stellen hoe heerlijk het zou zijn om weer ontspannen buiten te kunnen zijn. De menselijke geest is sterker en kan meer dan we denken.

 

Doordat ik meer ontspannen toeleefde naar het feest -  nauwelijks nog aan  de ‘gevaren ‘ dacht en druk bezig was met werken en genieten in het hier en nu - was ik, toen het eenmaal zo ver was, sterk en ontspannen genoeg om op die vrijdagavond te kunnen en durven gaan. Op het moment zelve zag Sonny er veel meer tegenop dan ik, omdat ze doodop was na een heel hectische werkdag en omdat ze bijna niemand op het feest echt goed kende.

 

Naarmate we dichterbij het restaurant kwamen waar het jubileum zou worden gevierd (Sonny reed), werd ik wel heel erg draaierig in mijn maag. De zenuwen gierden door mijn keel en er was één moment waarop ik het gevoel had dat mijn geest mijn lichaam verliet. Een van de paranormale mediums die ik ooit heb geconsulteerd (hij was een gepensioneerd ingenieur), oordeelde dat mijn geest telkens in en half buiten mijn lichaam zweefde, als een soort jojo-effect. Hij raadde mij aan om bomen te knuffelen, mijn negatieve energie via de bomen te laten afvloeien en aan de eiken en iepen positieve energie te vragen, veel bij meren en rivieren te zitten (water is gevoel, zei hij), vaker bewust naar mijn voeten te kijken en tijdens het wandelen tegen mezelf te zeggen: “Hier, Nu, Hier, Nu!” Ik heb deze raad jarenlang opgevolgd, maar nooit gemerkt dat het soelaas bood. Integendeel, ik was er veel te obsessief mee bezig.

 

Ik vroeg me op weg naar het jubileumfeest bezorgd af of ik het zonder al teveel angst en paniek zou kunnen redden en hoe de familieleden die me al zo lang niet hadden gezien, zouden reageren.

 

Ik kan achteraf alleen maar zeggen dat het een hele leuke avond was en dat het best goed ging met me. Het was een groot genoegen om mijn peetoom en peettante, die écht een voorbeeldig huwelijk hebben, te zien genieten van het feest, van de feestgangers en van elkaar. Hand in hand zaten ze aan tafel te glunderen en dat ontroerde mij. Ik zie graag dat mensen gelukkig zijn, solo en met elkaar. Als kind zag ik voortdurend mijn ongelukkige ouders, solo en met elkaar, en dat was echt vreselijk. Ik weet nog dat ik als verslaggever van het blad Playlist verslag deed van de echtscheiding van zanger Arie Ribbens en dat zowel de artiest als zijn ex-vrouw bij mij steen en been klaagden over hun voormalige partner. Ik kon Sonny zat er na een zware dag op haar werk en na een week studeren na de werkdag compleet doorheen. Het arme mens heeft een wel hele zware kar te trekken.

 

Het zit haar ook nooit mee. Ze heeft een fijne baan (bij een bank en verzekeringskantoor) met leuke bazen en collega’s, maar ze vindt het vreselijk om allerlei verplichte cursussen te moeten volgen met een afrondend examen. Sonny heeft altijd examenvrees gehad en ze ziet tegen examens net zo op als ik tegen een feestje of een reis.

 

Zo zie je maar dat iedereen wel een angst heeft en opziet tegen de confrontatie met de voor hem of haar angstaanjagende situatie. Mensen die bijvoorbeeld bang zijn voor spreken in het openbaar, vallen al zowat flauw als ze eraan denken dat ze een speech zullen moeten houden voor een groot gezelschap. Ik weet hoe dat voelt, die spreekangst. Op de basisschool was ik een artiest die toneelstukken schreef en opvoerde, die zong in de klas en graag voorlas, maar eenmaal op de Middelbare School klapte ik dicht en kreeg ik hele erge last van blozen en van bloosangst.  Telkens als ik de beurt kreeg, werd ik zo rood als een tomaat. Ik voelde mijn wangen dan gloeien en wist dat ze vuurrood werden. Om dat te voorkomen, probeerde ik het krijgen van aandacht en van de beurt te voorkomen. Maar dat was natuurlijk niet te voorkomen en hoe meer ik bang was te gaan blozen, hoe roder ik werd.

 

Spreekbeurten waren een ware hel voor mij. Dan stond ik met een vuurrode kop voor de klas. Ik voelde me belachelijk op zo’n moment en was het liefste door een ondergrondse gang weggevlucht. De muziekdocent dacht er na mijn spreekbeurt wat van te moeten zeggen. Op boze toon zei hij: “Jongens, jullie moeten het niet als een straf zien om een spreekbeurt te houden. Waarom zijn jullie in vredesnaam zo gespannen?” Mijn vriend ben boog zich naar mij toe en fluisterde in mijn oor: “Dat zegt hij omdat jij zo rood werd.” Ja, dat voelde ik ook wel aan, dat had ben me niet hoeven te vertellen. Ik kon wel door de grond zakken.

 

Als net zo erg ervoer ik de koffieconcerten die mijn gitaarleraar op de Muziekschool in Rurdam organiseerde. Ik moest dan ook een stukje spelen voor de andere leerlingen en hun ouders. Van tevoren wist ik dat ik vuurrood zou worden tijdens mijn speelbeurt, en ja hoor, het gebeurde natuurlijk. Je kon er de klok op gelijk zetten.

 

Ik haatte dat blozen! Ooit heb ik zelfs een boze, anonieme brief geschreven en gepost bij de parochiekerk. Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest. In die brief vroeg ik me af waarom God een duivel was die me zo liet blozen en lijden! 

 

Ik schaamde me verschrikkelijk en ik baalde ontzettend van dat blozen. Ik was ijdel en vond mezelf toch al lelijk (tegenstrijdig maar het is zo) en dan ook nog die gloeiendhete, rooie kop! Iedereen kon zien dat ik bloednerveus was! Na afloop van een van mijn blozende ‘muzikale optredens’ op de Muziekschool kwam er een moeder van een andere leerlinge speciaal naar mij toe en ze zei dat ze mijn gitaarspel zo mooi had gevonden. Maar ik voelde dat ze mij wilde troosten en moed wilde inspreken, omdat ik zo rood was geworden en zichtbaar zo gespannen was geweest. Ik had liever gehad dat ze niets had gezegd, want ik wilde alles behalve medelijden.

 

Gelukkig heb ik ook de bloosangst teniet kunnen doen. Ik weet niet eens meer hoe. Op een gegeven moment was ik er gewoon niet meer zo mee bezig en toen ging het vanzelf over.

 

Als eerste vertrokken Sonny en ik van het jubileumfeest. Maar ik was blij dat we waren gegaan. Ik was blij voor mijn jubilerende bloedverwanten en ik was trots dat ik deze overwinning op mijn paniekstoornis had geboekt.

 

Dit zijn ervaringen die me weer een beetje vertrouwen geven en die me helpen op minder gespannen voet te staan met het leven.

 

Op sommige mooie of goede momenten lukt het me dat uitpuilende pakhuis vol zorgen, problemen en angsten van me af te werpen, de propvolle rugzak vol dilemma's en vragen af te doen en de met zwarte energie overlopende emmer leeg te kiepen. Op die momenten ben ik even verlost, vrij, bevrijd, licht. Als het me lukt om de spanningen los te laten, dan voelt dat paradijselijk.

 

 

Een leeg hoofd verschaft je het meest voldane gevoel...