Achterdetraliesvandeangst.jouwweb.nl
Home » DEEL 5

DEEL 5

 

Hoofdstuk 24.

 

Maak mijn vijand dapper en sterk, zodat ik niet beschaamd zal zijn als hij me verslaat (Plains).

 

Zoals iedere positieve ervaring en overwinning me moed inpompen, zo is iedere paniekaanval een schaaf aan de plank van het zelfvertrouwen. Vandaag voel ik me allesbehalve fit. Ik weet dat ik er niet te zwaar aan moet tillen, omdat ik het anders alleen maar moeilijker maak voor mezelf, maar het blijft iedere keer toch een teleurstelling om ’s morgens al te moeten constateren dat je je wederom grieperig voelt en dat je zo moe bent dat alles je teveel is.

 

Broeierig voel ik me en ik heb voortdurend koude rillingen, toch heb ik geen koorts. Ik moet telkens heel diep zuchten, ik ben zwak ter been en daardoor ben ik nog slapper, vermoeider en angstiger dan normaal. Maar ik besluit toch even een wandelingetje te maken door een straat van de stad, aangezien ik niet wil toegeven aan de malaise.

 

Nu ik bezig ben om mijn manuscript te redigeren, merk ik dat het ‘nakijk- en restauratiewerk’ eigenlijk teveel van mijn krachten vergen en dat ik minder energie heb voor mijn eigenhandige oefentherapie. Net als geld kun je een bepaalde hoeveelheid energie maar één keer spenderen. Als je zo weinig energie hebt dat je na één uurtje computeren energetisch blut bent, dan heb je dus geen kracht meer over om andere dingen te doen. Dat is de praktijk van mijn alledaagse leven. Ik heb een heel klein beetje energie en dat kleine beetje moet ik eigenlijk bij beetjes over de gehele dag verbruiken. Daar ben ik heel erg slecht in. Ik ben iemand van alles of niets. Bovendien wil ik graag door kunnen werken.

 

Mijn benen voelen zwaar aan. Ik kom nauwelijks vooruit. Mijn hoofd zit vol met gedachten over hoe ik mijn manuscript beter vorm kan geven en waarmee ik de hoofdstukken kan versterken. Dat is een normaal proces voor een schrijver, maar ik voel me daardoor overbelast, alsof ik een hele zware kruiwagen moet sjouwen en boven mijn macht moet tillen. Het neemt me mijn plezier in het verbeteren van mijn pennenvruchten grotendeels af.

 

Ik wandel langs een Lagere School met een fantasieloze naam. Vanwege de straat- en pleinvrees - erger door de verergerde lichamelijke zwakte (grieperigheid) - loop ik zo vlak mogelijk langs de auto's en langs het schoolhekwerk af, want dat geeft me een beetje een gevoel van geborgenheid en van houvast voor als ik onwel word. Desondanks heb ik zwabberbenen.

 

Het is op zich een logisch proces. Wanneer je je lichamelijk niet fit voelt, dan wordt je geest daar mede de dupe van en omgekeerd werkt het ook zo. Als u griep heeft, dan voelt u zich ook niet zo zeker als u auto moet rijden of een wandeling maakt. Dan wilt u ook het liefste thuis binnen zitten.

 

Mijn grote manco is dan ook dat mijn angst heel erg nauw samenhangt met de lichamelijke uitputting en vice versa. Ik ken wel andere mensen die angstaanvallen hebben gehad (in minder hevige mate dan ik), maar die waren niet ook nog uitgeput. Die hadden ‘alleen maar’ last van angst. De uitputting maakt het juist nog veel gecompliceerder!

 

Ik voel me rot. Die verdomde fobie, die verdomde lichamelijke malaise! Heb ik de tol van een rampjeugd nu nog niet voldoende betaald? Heb ik die vicieuze cirkel nog niet vaak genoeg doorbroken?! Verdomme! Nog niet genoeg in de sauna's rondgehangen om tot relaxatie te komen? Al ons geld gaat eraan op, zodat papa thuis een beetje aanspreekbaar is!

 

Dan, door het venster, zie ik hoe een meisje van een jaar of zes heel trots, expressief en lief lacht naar haar juf die de blik van verstandhouding beantwoordt met een glimlach en opgetrokken, vrolijke wenkbrauwen: het gezicht van de juf is als het ware een opgestoken duim en zegt zonder woorden: Goed gedaan, meid!

 

Het zijn van die kleine taferelen die me goed doen en die mijn zwarte dagen kleuren. Als je heel erg beperkt bent en geen grootse dingen meer kan ondernemen en je je niet meer kan uitleven in je passies, dan moet je je welhaast vastklampen aan dat kleine geluk. Je krijgt er oog voor. Ik heb mezelf daarin getraind.

 

Ik loop verder, maar opeens houdt de beschutting op. Het wordt weids. Geen auto's en hekwerk of bomen meer. Mijn benen worden pardoes slap en mijn maag keert zich om. Ik probeer rustig te ademen en verzamel al mijn moed om nog een stap te zetten, maar mijn benen blokkeren. Ik zet die stap toch, maar word tien centimeter kleiner en krijg het gevoel alsof ik voorover ga vallen.

 

Ik blijf even staan, probeer mezelf uit die angst te trekken door zo rustig mogelijk om me heen te kijken, diep door de buik te ademen en de angst te laten wegzakken, maar het blijft en wordt zelfs erger. Ik roep ‘STOP’ zoals de psycholoog van het RIAGG me jaren geleden heeft geleerd. Hij onderwees me dat ik ‘STOP’ moet roepen tijdens een paniekaanval en in de situatie moet blijven. Makkelijker gezegd dan gedaan. Zijn tactiek werkt nu niet en heeft bij mij nooit gewerkt. Je hebt natuurlijk vele gradaties, ook wat angst aangaat. Je kan een beetje paniek hebben, erge paniek voelen en hele, hele erge paniek meemaken. Hoe groter de paniek of hoe heviger je de paniek ervaart, hoe moeilijker het is om de fobie te overwinnen.

 

Ik ga terug naar de auto. Het is alsof de angst me met een zweep voort slaat. Weidsheid is voor mij een directe confrontatie met een leeuw. En ik ben al bang voor honden, laat staan voor leeuwen.

 

Dan, door het venster van de school, tussen de op de ramen beplakte tekeningen door, zie ik hoe de hele klas lacht en hoe de twee juffen een blik van wederzijds plezier met elkaar uitwisselen. Ze hebben lol in hun werk. Ik geniet, dan toch.

 

Een momentje van geluk tijdens het Lijden. Een mooi, opbeurend ogenblik binnen een triest, moeilijk moment. Het kan allemaal.

 

Hoofdstuk 25.

 

Zelfs kleine muizen kunnen kwaad worden (Indianengezegde).

 

Ik doe zo mijn best, maar ik word maar niet verlost van de pleinvrees, geringe stressbestendigheid en uitputting.  Het is niet zo dat ik geen kleine vorderingen maak, maar het heeft toch meer weg van vechten tegen de bierkaai. Ik ben momenteel vooral heel erg bang voor de toekomst. Dat het nog slechter wordt in dit decrescendo-levensverhaal.

 

Ik blijf angstig en ziek en zwak. Nu weer geveld door migraine en griep. Kan ik vanavond wederom niet naar een etentje. Hoe vaak moet ik wel niet verstek laten gaan, hoe vaak gaan de leuke dingen wel niet aan mijn neus voorbij?!

 

Een gebed zonder einde is het. En er is geen hulp en redding mogelijk. Lieve mensen genoeg, maar ze zijn onmachtig. Mijn partner gebruik ik onderhand als een klaagmuur, al haar poriën zitten vol met mijn klaagzangen, het arme mens. Ik probeer leuk en luchtig te doen, maar het is allemaal kunstmatig. Een dier dat zo gewond is, zou afgemaakt worden, een spuitje krijgen. Als je ziel zo lijdt, dan kun je gerust spreken van een terminale depressie.

 

Ik wil heel graag leven en stokoud worden, maar niet op deze wijze. Dit is geen leven. Dit is bijna louter lijden. En toch ga ik door. Ik heb een lief en fijn gezin. Daar doe ik het voor. Hoewel het niet beter lijkt te mogen en te kunnen worden met mij, probeer ik er voor hen en mezelf het beste van te maken. Ik ben De Martelaar, De Opofferaar.

 

Het is een schraal, verschrompeld, beperkt leven dat ik leid. Het Lijden staat centraal. In de steek gelaten door de artsenij, het UWV, de hele maatschappij. Mensen die hulp nodig hebben, laten ze gewoon stikken tegenwoordig. De mensheid is er heel slecht aan toe. We zijn lager dan ratten.

 

Soms voel ik me zo leeg. Wat kan ik nou bijdragen aan de maatschappij, de mensheid, de toekomst? Natuurlijk is het niet niks om je vrouw en kinderen te verzorgen en hen een fijne basis te geven en hen een gezellig leven te bezorgen. Maar ik wil meer kunnen betekenen, meer kunnen doen, op hele grote schaal, buiten de anonimiteit.

 

Zoveel frustraties. Wat ik wil, gebeurt maar niet of lukt maar niet en wat ik niet wil, gebeurt juist. Althans, op sommige vlakken.

 

Soms heb ik zin om mezelf uit te vlakken, uit te gummen, weg te blazen, op te heffen. Al mijn geschrijf, waar leidt dat toe? Allemaal verspilde energie, lijkt wel. Tijddoding, meer niet. Het voelt allemaal zo onbeduidend, zo leeg, zo zinloos.

 

Het zijn gevoelens die steeds weer terugkomen. Als ik ze heb verwoord, kan ik er even tegenaan. Maar ik genees er niet van. Het hart luchten, doet geen wonderen. Het lucht slechts even op en dan begint de ellende weer van voor af aan.

De levensmoeheid en levenspijn blijven me sarren. Ze maken deel uit van mijn wezen, net als mijn levenslust, passies voor sport, reizen en schrijven en mijn gevoel voor humor.

 

Ik wou dat er echt eens iets heel erg leuks gebeurde. Dat ik werd genezen, werd ontdekt als schrijver, dat ik de Staatsloterij won. Zoiets. Iets groots. Iets groots dat het immense lijden op zonnige wijze zou overschaduwen. Een grote zonnevlek over die zwarte schaduw, daar hunker ik naar, dat heb ik nodig.

 

Ik word soms moe van mezelf: ik dit, ik dat, ik zus, ik zo... Maar u weet niet half hoe erg ik eraan toe ben!

 

Ik - ja, weer ik - heb behoefte aan een hele positieve verrassing. Het mogen er ook twee of drie zijn. Nu heb ik echt even een meevaller nodig, een wonder eigenlijk.

 

Het was een afschuwelijk jaar. Een duivels concept. Mama kanker en steeds vergeetachtiger, oudste zus gescheiden, Sonny overbelast, enorme ruzie gehad met mijn zussen die ik onverschilligheid verweet…

 

De voorgaande jaren waren niet veel beter. Het is niet verwonderlijk dat ik een paniekstoornis heb. Als kind rinkelden voortdurend alle alarmbellen. Ik weet nog dat ik op een avond, dat mijn vader thuis weer als een razende tekeer ging en het zwarte vuur uit zijn ogen spatte, mijn moeder smeekte om de politie te bellen. Ik weet niet of ze het echt heeft gedaan. Ze zei van wel en ze wees door het raam naar een auto die op de hoek van de straat geparkeerd stond. Ze zei dat daar een politieman in zat. Het was te ver weg om te kunnen zien en ik was maar half gerustgesteld.

 

Terwijl sommige kinderen uit mijn klas verdrietig waren omdat hun ouders waren gescheiden of gingen scheiden, smeekte ik mijn moeder om bij ‘hem’ weg te gaan (op een gegeven moment noemde ik mijn vader alleen nog ‘hem’ en ‘hij’). Ik had er alles voor gegeven om verlost te worden uit die ko(l)kende hel. Mijn moeder beloofde telkens dat ze de scheiding zou aanvragen of ze zei dat ze hoopte dat hij zou veranderen, maar er veranderde nooit iets en hij al zeker niet. Op hun manier hielden ze echt wel van elkaar en al zeker van hun kinderen, maar het was geen gelukkige match.

 

Natuurlijk, het was niet alleen maar kommer en kwel. Tussen mijn ouders heb ik nooit echte genegenheid, respect en samenspraak gezien of gevoeld, maar er waren wel gezellige momenten: op zaterdagavond was er altijd koffie met vlaai. Op zondagmiddag gingen mijn ouders en ik dikwijls naar een professionele voetbalwedstrijd kijken, ergens in Limburg (bij Roda JC, Fortuna Sittard, VVV Venlo en MVV). Met mijn vader kon ik heel lang en gepassioneerd over voetbal praten en met mama deed ik spelletjes. Mijn twee oudere zussen hadden vooral elkaar en voor mijn gevoel ging het altijd alleen maar over en draaide het louter om jongens, maar we hadden best een goede band (later kregen we een hele goede band, tot op de dag van vandaag, ondanks die hevige ruzie)…

 

De woede-uitbarstingen van mijn vader waren meestal verschrikkelijk heftig. Als hij boos werd, dan wist je dat het ging escaleren. Je innerlijke metronoom gaf het ritme van zijn agressie al aan. Op een avond werd ik wakker en ontdekte ik dat mama met een ambulance was opgehaald. Ze was na een hevige ruzie met mijn vader (hij maakte ruzie, zij verweerde zich verbaal nooit) bewusteloos geraakt en met haar hoofd tegen de verwarming beland. Volgens mijn vader had ze een halve of hele fles sterke drank genuttigd, maar ik geloofde hem niet. Ik zag hoe mijn moeder als een zielig hoopje mens, verstrooid en met de haren in de war, thuis werd gebracht. Ze zag er op dat moment uit als een zeer zwaar gehavende psychiatrisch patiënt.

 

Vreselijk was de tijd waarin mijn moeder en wij haar familie niet meer mochten zien van ‘hem’, nadat haar broers en zussen hem op een familiefeest hadden toegetakeld. Mijn vader was op dat feest jaloers geworden op mijn moeder die met een andere man danste. Toen mijn ooms hem tot kalmte probeerden te manen, brak de pleuris uit. Het kwam tot een heus gevecht waarbij vele bloedverwanten op mijn vader zijn gedoken en hem aan zijn haren hebben getrokken en op zijn gezicht hebben geslagen. Ik vond het verschrikkelijk dat ze papa in elkaar hadden geslagen, maar zegt het niet alles dat ik er begrip voor kon opbrengen?

 

Wie het lijfelijke  gevecht is begonnen, weet ik niet. Beide kanten vertellen wat anders en ik geloof geen van beide. Dat het is ontstaan door de intimiderende wijze waarop mijn vader mama en haar danspartner terecht dacht te moeten wijzen, lijdt evenwel geen twijfel. Mijn vader had vroeger nooit op dansles gemogen van zijn boerenouders en dat ervoer hij zelfs later nog als een enorme straf, omdat hij op feestjes altijd aan de kant had gestaan. Misschien speelde hem dat opnieuw parten toen hij mijn moeder met die andere man zag dansen. Maar hij was ook gewoon bezitterig en jaloers aangelegd. Wellicht had hij een zekere verlatingsangst. Volgens mijn moeder is hij een keer verloofd geweest voordat hij mijn moeder leerde kennen, maar brak zijn verloofde toentertijd de verloving af. Ik weet niet of dit waar is. Met mijn vader heb ik nooit iets persoonlijks besproken. Voor mijn gevoel heeft hij altijd om de hete brij van zijn ware gevoelens heen gedraaid en de waarheid altijd in zijn voordeel verdraaid. Het meest persoonlijke dat we hebben uitgewisseld of hij met mij dan, is dat hij op een dag zomaar uit het niets tegen mij zei dat masturberen geen kwaad kan. Op zich bedoelde hij het goed en achteraf vind ik het een sympathieke actie, maar ik kon alleen maar denken, vol schaamte: ‘weet hij dan dat ik mezelf iedere avond aftrek?’

 

Het was gewoon geen gezonde omgeving waarin ik, een gevoelige en bang aangelegde jongen, moest opgroeien. Voor mijn zussen was de hel even groot natuurlijk. Mijn oudste zus had evenwel veel vrienden met wie ze goed kon praten en mijn andere oudere zus bleef emotioneel wat beter in balans dan ik en zat minder gecompliceerd in elkaar dan ik. Misschien dat daarom ik van ons drieën het meest heb overgehouden aan die rotjeugd.

 

Ik herinner me dat ik tijdens een vakantie in Spanje zo schoon genoeg had van het gezeik van mijn vader dat ik met een aardappelschilmesje op hem ben afgestormd en hem dreigde te vermoorden. Ook kan ik me heugen, dat ik meer dan eens heb geroepen dat ik hoopte dat hij onder de groene zoden kwam te liggen. Dat klinkt hard en respectloos, maar het kwam voort uit pure wanhoop en uit een ontzettend ongelukkig gevoel. Op dat moment had ik ook geen enkel respect meer voor hem. Hij blies ons leven steeds opnieuw op.

 

Ja, de familie van mijn moeder wist wel ongeveer wat er thuis gaande was. Zelfs de onderwijzers op school wisten dat hij geen gemakkelijke man was. Dat vertelden ze met later trouwens pas. Maar niemand ondernam echt actie, niemand haalde ons weg uit die hel.

 

Papa’s woede-uitbarstingen waren vreselijk, maar minstens zo erg waren de non-verbale spanningen tussen mijn ouders. Ze leefden constant op gespannen voet met elkaar. Mijn vader reageerde continu gefrustreerd jegens mijn moeder en zij hoorde alles aan en zweeg. Dat leidde tot ontelbare uitbarstingen, misschien juist omdat zij nooit wat terug zei. Waar de ruzies over gingen, weet ik niet eens. Over van alles, denk ik.

 

Ik heb trouwens nooit het gevoel gehad dat mijn moeder echt achter mijn vader stond, dat ze hem echt een fijne, prettige vent vond. Ze heeft wel eens verteld dat ze hem vroeger - toen ze nog niet eens getrouwd waren - wel eens hoorde praten met haar vader, als zij al naar de slaapkamer was gegaan en dat ze walgde van zijn stem en van zijn belerende toontje. We hebben mama wel eens gevraagd waarom ze dan met hem verder is gegaan en dan antwoordde ze ontluisterend: “We konden zo lekker vrijen.”

 

Op een warme zomernacht was de hel thuis weer zo losgebarsten dat mijn zussen en ik in ons ondergoed naar buiten vluchtten en bij de buurman aanbelden voor hulp. De man bleef kalm en zei dat we maar weer vlug terug naar binnen moesten gaan en dat het allemaal wel goed zou komen. Sindsdien wist ik dat het geen zin had om iemand om hulp te vragen… Ik heb me altijd afgevraagd hoe onze buren zo discreet en passief konden blijven, want we woonden in een zeer gehorig huis. Zij maakten eveneens geregeld ruzie, maar dat waren liefdesuitingen vergeleken bij onze gezinsoorlog. Zij moeten onze hel altijd hebben gehoord en letterlijk hebben verstaan.

 

En er was die keer dat ik midden in de nacht in opperste paniek het balkon van de slaapkamer van mijn oudste zus ben opgestormd en uit volle borst – ik had en heb een enorm stemvolume – om hulp heb geschreeuwd. Overal in de slaapkamers van de aangrenzende woningen zag ik lampen aanspringen en daar schrok ik denk ik zo van dat ik snel naar binnen vluchtte. De volgende dag sprak mijn moeder toevallig een van de buurtgenoten en hij vroeg aan ons of wij vannacht die enorme schreeuw hadden gehoord. “Dat ging door merg en been, echt waar. Ik heb nog nooit zoiets indringends gehoord.” Ik schaamde me zo (ik wilde eigenlijk ook weer niet dat iemand van buitenaf van onze hel af wist) dat ik bang was dat de man mijn schaamte kon zien. Hij keek me lachend aan en zei toen: “Duncan, jij was dat toch niet, hé?” Ik bloosde en schudde mijn hoofd. Ik zal toen vijftien of zo zijn geweest.



 

Wat een jeugd…

 

Geen wonder dat mijn vertrouwen in het leven en hoop op betere tijden miniem zijn, dat ik emotioneel een slooppand ben. Echt emotioneel stabiele tijden heb ik immers nooit gekend. Ik kan me geen periode herinneren waarin ik vrij en gelukkig ben geweest.

 

Het verleden stelt me niet bepaald gerust en mijn huidige situatie is weinig verheffend. Ik probeer mijn ogen te sluiten voor het uitzicht op de uitzichtloosheid.

 

Ik weet dat er mensen zijn die me een zeikerd of een aansteller vinden, of een slappeling. Ik weet dat er mensen zijn die zich al dan niet plaatsvervangend schamen voor mijn uitingen en ik besef dat er getuigen zijn die alles zullen ontkrachten en ontkennen (je kan wel raden op wie ik doel).

 

Ik weet dat er mensen zijn die vinden dat ik gewoon eens leuk moet doen, over leuke dingen moet schrijven en dat ik dit allemaal niet en al zeker niet op het open net moet publiceren.

 

Gewoon doen alsof, zoals iedereen. Mensen die menen dat ik me er gewoon overheen moet zetten. Ze hebben echt geen benul... Ik neem hen echter niks kwalijk. Wat je zelf niet zo ervaart, kun je je moeilijk voorstellen. Als je zelf niet het traject van de hel hebt moeten afleggen, dan kun je je niet indenken hoe dat is. Als je niet weet hoe het voelt om die ander te zijn, dan heb je makkelijk praten.

 

Maar ik schrijf alleen maar op wat ik ECHT weet en voel, puur en zuiver. Ik verwoord mezelf en mijn leven, mijn hel en mijn strijdlust. Ik word zo in beslag genomen door de frustraties, het lijden, de pijn, de beperkingen en de kwaaltjes dat er geen plaats is voor luchtigheid en andere interesses. Ik zoek wel afleiding, maar de pijn gaat er niet mee weg!

 

Ach, ik baal momenteel ook gewoon dat ik weinig/steeds minder geld heb, geen werk heb, geen maatschappelijke bijdrage kan leveren, dat ik geen succes heb in wat ik doe, dat het allemaal zo zinloos lijkt... Ik baal dat mijn vrouw vaak ongelukkig is en dat ze te zwaar belast wordt. Ik baal van de mensheid en van de waanzin van en in de economie, politiek en maatschappij. Ik word er allemaal niet vrolijk van. Ja, ik kan een leuk muziekje op zetten, maar dat is alles.

 

Ik baal van de constante gevoelige tanden na die verschrikkelijke tandartsbehandeling, ik baal van de terugblik op mijn jeugd en op het recente verleden, ik baal van de gevolgen van die jeugd en van dat recente verleden voor het hier en nu, ik baal van mijn uitputting, van mijn angsten, van het gebrek aan seks en ik baal van het balen zelf.

 

Ik moet me maar voeden met de kruimels geluk die er beslist liggen. Niet dat mijn kinderen en vrouw kruimels zijn, maar het is niet genoeg. In deze maatschappij heb je ook gezondheid, succes en geld nodig wil je het gevoel hebben en krijgen dat je erbij hoort, dat je meetelt, dat je ertoe doet, dat je iemand bent...

 

Nu lijkt het allemaal langs me heen te gaan. Je spreekt de mensen niet die ook lijden, die nog erger lijden. Om me heen heeft iedereen werk, genoeg geld, een redelijke gezondheid, om me heen lijdt iedereen minder dan ik, met minder beperkingen, met minder zielskanker. Om me heen is vrijwel iedereen vrolijker dan ik, behalve mijn echtgenote (die ook ontzettend lijdt en met me meelijdt). Het voelt zo verlaten, zo godverdomde eenzaam. Dat is wat mijn vrouw en mij misschien nog wel het meeste bindt: dat we ons eenzaam voelen.

 

Het leven heeft ons alles afgenomen, zowel qua emotionele en mentale kracht als qua praktische zaken. De ellende slokt ons helemaal op, heeft ons helemaal uitgeput.

 

Onbevredigend. Dat is het woord. Ik ervaar mijn leven als hoogst onbevredigend. Ik ben en blijf zwaar onbevredigd. Hartstikke onverzadigd. Ik kan maar niet klaarkomen, in emotionele zin. Maar verzadigd ben ik wat de ellende en de malaise aangaan.

 

Er lijkt geen uitweg, geen spectaculaire verbetering, geen allesbeslissende redding, geen hoop. We moeten gewoon door met dit schrale pakketje.

 

We krijgen niet wat we willen, we kunnen alleen nog trachten om onze kinderen wel te geven wat ze nodig hebben. Zij mogen niet lijden onder ons lot. Ik wil dit lijden niet vermenigvuldigen, niet als een virus verspreiden.

 

En dus gaan we door. We hebben geen andere keuze. De enige andere keuze is uit dit leven stappen en dat kan en wil ik mijn kinderen niet aandoen. Bovendien durf ik het niet, althans niet als ik bij zinnen ben. En er zit in mij toch nog steeds een heel klein sprankje hoop, vechtlust en levenslust. Tegen beter weten in...

 

Tja, zo kan een mens zich voelen. In elk geval voel ik me zo, momenteel. Geen woord is gelogen, geen woord is overdreven. Zo is het en zo voelt het, zo ervaar ik het. Je hebt het maar te slikken en het is aan jou, lezer(es), of je me gelooft en respecteert.

En anders verdien je mij niet. Zoveel mededogen met mezelf en zoveel eigenwaarde heb ik inmiddels wel opgebouwd! Het zijn de enige waarden die ik nog heb.

 

Als jij verstand hebt en gevoel in je donder hebt, dan herken je in dit verhaal de pure wanhoop en de oprechte wanhoopskreet en dan stuur je me een woord van troost, een woord zoals een aai over de bol, zoals een handwrijving over de rug, zoals een kus op de slaap.

 

Als je me niet troost of als je me geen baan geeft of kan geven en me niet kan genezen, dan kun je me niet ECHT helpen, dan kan ik het zelf verder ook wel. Ieder opbeurend en raadgevend woord is dan betutteling, krachteloos, overbodig, onnodig en teveel. Ik heb alles al geprobeerd. Ik ben al een miljoen keer hoog en laag gesprongen. Ik ken mezelf en mijn lijden als geen ander. Ik weet heus wat kan en niet kan. Ik heb geen raad maar pure praktische hulp nodig. Of, als dat niet kan: troost (bevestiging, herkenning, delen, begrip).

Ik geef gewoon aan waar ik behoefte aan heb, wat ik nodig heb en ik heb geleerd om er gewoon om te vragen.

 

Als ik op de plee zit en ik vraag om wc-papier en jij komt goedbedoeld met een hamer aanzetten, dan kan ik daar toch ook niks mee? Als jij het dan vertikt om wc-papier mee te nemen de volgende keer dat ik op de plee zit, dan is het toch logisch dat ik kwaad word als jij met een schroevendraaier komt aanzetten?

 

Mijn hart heeft een dwarslaesie...

 

 

En dat moet ik van tijd tot tijd gewoon even kwijt. Ik heb jarenlang mijn ellende verzwegen en verstopt en me sterker voorgedaan dan ik was, maar dat kostte me enorm veel kracht en ik verloochende daarmee mezelf. Vandaar dat ik heb geleerd om te delen en mezelf te laten zien, voorbij schaamte en voorbij taboes. Van tijd tot tijd laat ik dat altijd beredenerende en relativerende hoofd even thuis en laat ik weten hoe het echt VOELT en dat doet me eventjes goed, dat verschaft me even lucht!!

 

Niemand heeft schuld en niemand moet geprezen worden. Het is gewoon het leven dat meedogenloos en mooi is, niet wij. Niemand heeft zijn eigen haat gekocht. Niemand heeft zijn talenten zelf uitgevonden en gemaakt. We leven het leven zoals het is en zoals het al was voordat er ook maar één mens bestond.

 

Hoofdstuk 26.

 

Ieder dier weet meer dan jij (Nez Perce).

 

Zo af en toe heb ik toch ook hele inspirerende gedachten die de negatieve gedachten over mijn lot, het leven en de maatschappij vervangen of verdringen. Het inzicht dat alles en iedereen met elkaar verbonden is en invloed heeft op elkaar, maakt me warm van binnen.

 

Dit stukje bijvoorbeeld is niet alleen tot stand gekomen doordat ik achter de computer ben gaan zitten om mijn gedachten te beletteren. Deze woorden zijn mede tot stand gekomen dankzij mijn hersenen, armen, handen, vingers en ogen en dankzij het bij vlagen zeer leerzame boek 'Vredelevend' van de Boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh, omdat sommige delen uit het boekje erg mooi en inspirerend zijn en mijn geest met vitamine Wijsheid voeden.

 

Deze zinnen zijn tot stand gekomen dankzij de wetenschap en wetenschappers, dankzij de computerindustrie en de mensen die daarin werkzaam zijn, waardoor er computers zijn. Dit schrijfseltje was nooit tot stand gekomen zonder de Mediamarkt waar ik de computer heb gekocht, zonder de uitgever maar ook niet als er geen leven was, als de zon niet scheen, als ik nooit was geboren, en dus is dit boek ook tot stand gekomen dankzij het ontstaan en het nog steeds bestaan van leven, van de mens en dankzij mijn (voor)ouders uit wie ik ben voortgekomen.

 

Zonder deze dag, zonder mij, zonder de inspirerende Boeddhistische teksten die ik soms bestudeer, zonder het Boeddhistische boekje dat ik nu aan het lezen ben, zonder de bomen, de regen, de houtkappers, de papierfabriek, de boekbinders, de boekwinkels en zonder de zonneschijn die dit boekje mogelijk hebben gemaakt, zou dit ambachtswerkje nooit het levenslicht hebben gezien. En zonder u zou dit boek nooit worden gelezen.

 

 

Ik realiseer me dat mijn humeur erg onvoorspelbaar is en dat ook de lezer van hot naar her wordt geslingerd, van plus naar min, maar het geeft wel een eerlijk en realistisch beeld van mijn gemoedstoestand.