Achterdetraliesvandeangst.jouwweb.nl
Home » DEEL 7

DEEL 7

 

Hoofdstuk 30.

 

Hoe meer je geeft, hoe meer je krijgt (Crow).

 

Dat alles draait om balans, is me meer dan duidelijk geworden. Dat merk je pas als je het evenwicht volledig hebt verloren, als je heel beperkt belastbaar bent en als je zoals ik iedere dag alles in het werk moet stellen om je evenwicht te bewaren. Soms lukt dat letterlijk niet, zoals vandaag. Ik heb zojuist een stukje gefietst, maar de angst was hevig en ik had het gevoel alsof ik met zadel en al dreigde om te vallen.

 

Soms moet je de term ‘straatangst’ letterlijk nemen. Op een weg met weinig natuurlijke en kunstmatige beschutting – nogal open terrein dus – werd ik voorover gedrukt door de angst. Het ging pas een beetje beter toen ik door de modderige grasberm fietste. Waarom dat zo is, weet ik ook niet. Ik probeerde op het stuur te leunen en op de trappers en me zo fietsende te houden, maar ik had het gevoel alsof ik door mijn armen en benen ging, alsof mijn lichaam de zwaarte van mijn lijf en angst niet kon dragen. Ik ben thuis gekomen, volledig uitgeput…

 

Balans dus. Het evenwicht tussen ontspanning en inspanning, tussen lichaam en geest, tussen arbeid en rust. Ook nu ik huisman ben, moet ik mijn energie goed verdelen, anders gaat het mis. Dikwijls neem ik toch nog teveel hooi op mijn vork en weiger ik stijfkoppig om op tijd te gaan rusten of een activiteit te staken die me veel energie kost. Met het schrijven van dit boek gaat het niet anders. Frequent ga ik te lang door met verbeteren, schrappen en aanvullen. Ik doe eerder teveel dan te weinig. Daarom doet het zo’n pijn en is het zo onrechtvaardig als mensen suggereren dat ik lui, willoos of zonder ambitie ben.

 

Ik waarschuw u alvast dat dit hoofdstukje een januskop krijgt. Ik sla zo dadelijk eerst de spirituele weg in en daarna komt het volgende s-woord aan bod: seksualiteit. Maar beide fenomenen passen op dezelfde hals, wat mij betreft.

 

Hoewel ik niet in de Bijbelse God geloof (ik kom uit een niet streng rooms-katholiek Limburgs-Zeeuws nest) kom ik in kerken vaak weer een beetje meer in balans. Ik ben erg gesteld op het mystieke en op schoonheid. De pracht van en de sfeer in de kerkgebouwen en kapellen laten me een haast religieuze ervaring beleven en geven me troost en kracht. Af en toe brand ik een kaarsje voor een dierbare, voor mezelf of voor de maatschappij. Ik geloof in gedachtekracht, in de energiegolven van ons brein en uit ons hart. Die golven kunnen in mijn optiek een negatieve en positieve trilling veroorzaken. Ik geloof heilig in frequenties, niveaus (van beschaving en bewustzijn) en in golflengtes. En dus in energie, ook in energie-uitwisseling met de kosmische krachten.

 

De Bijbelse figuren vind ik vooral symbolisch van grote betekenis. Zo nu en dan ga ik voor een Mariabeeld staan en dan vraag ik haar om hoop, bescherming, inzichten en liefde. Zij is voor mij het toonbeeld van zorgzaamheid, toewijding en bekommernis. Als ik een afbeelding zie van Jezus dan staat hij voor mij model voor vergevingsgezindheid, wijsheid, moed en liefde. Ook hem vraag ik om raad en hulp. Ik geloof niet in Jezus als de zoon van God, maar ik geloof wel dat hij heeft bestaan en een bijzonder (wijs en spiritueel) mens was.

 

Een kerkbezoekje doet me meestal goed. Maar ook buiten de kerk vraag ik hogere machten om raad en daad. Ik weet niet of er leven is na de dood en hoe dat leven er dan uit zou zien, maar ‘voor de zekerheid’ richt ik me thuis, in het bos of waar dan ook vaak tot alle positieve natuurkrachten en geesteskrachten. Ik vraag hen om bescherming, inzichten, vertrouwen en kracht, voor mijn dierbaren en voor mijzelf  Dat vind ik fijn om te doen. Dikwijls lijken deze onderonsjes met de kosmos en met overleden familieleden hun vruchten af te werpen, want meestal krijg ik daarna spontaan een verhelderend inzicht. Deze energieën lossen natuurlijk geen problemen voor me op, maar het is alsof ze me in de vorm van inzichten raad meegeven en alsof ze me belangrijke informatie verstrekken waarmee ik vooruit kan. Hoe vaak kwamen er in het diepst van het dal, dat ik dacht dat er echt geen ontsnapping aan de ondergang meer mogelijk zou zijn, wel niet plotseling kracht en inzichten?!

 

Aan de andere kant ben ik me bewust van mijn gebeden die nooit werden verhoord. De familieleden voor wie ik tijdens hun ziekbed en sterfbed bad, zijn allemaal overleden. Ik denk in dit verband altijd aan de vele slachtoffers van oorlog en ander onrecht die hun handen en tong stuk hebben gebeden, maar die eindigden in de gaskamers, in een vernietigingskamp en op een stapel andere lijken.

 

Ik weet niet hoe ik spiritualiteit en de zin en de structuur van het leven moet interpreteren en hoe het leven in elkaar zit. Ik doe maar wat. Hoe langer ik leef, hoe minder ik zeker weet en hoe zekerder ik weet dat we niets zeker HOEVEN te weten. Het gaat erom wat we nu, vandaag, doen. En hoe.

 

Al wat ik ervaar, is dat een kerkbezoekje op z’n tijd - als er geen mis is – me goed doet en dat ik lijk te worden geholpen als ik Het Licht en mijn overleden familieleden aanroep. Echt wonderen worden er niet verricht, maar ik kan dan weer vooruit. Ik kom dan een beetje meer in balans. Misschien is het ook wel puur placebo-effect of dat je dan krachten in jezelf oproept. Als het maar helpt…

 

Tot zover de spiritualiteit. Dan dat andere s-woord, seksualiteit. Ik wou het met de lezer hebben over het heil van de ontspanningsmassages die ik minstens een keer per maand boek bij verschillende massagestudio’s. Hoewel het geen seksmassages zijn, ervaar ik het toch als heel sensueel om aangeraakt te worden door een ander. Ik lig heus niet  (permanent) met een stijve op de massagetafel, maar het is wel zo dat de lijn tussen aanraking door massage en seks heel erg dun is, vooral als je wordt gekneed door een aantrekkelijk en/of warm persoon.

 

Dankzij de massages heb ik meer energie, ben ik meer lichaamsbewust en zit ik soepeler in mijn vel. Maar de kneedpartijen vervullen tot op zekere hoogte ook mijn behoefte om aangeraakt te worden en seksuele spanning te voelen. Ik ga niet vreemd en ik geniet van de intimiteit met mijn vrouw, maar er is desondanks sprake van een grote sekshonger die lang niet altijd wordt bevredigd. Ik zou me schuldig voelen tegenover Sonny (als ik vreemdging), het zou verschrikkelijk veel van mijn zenuwen vergen (die zijn al niet sterk) en ik zou me met dat schuldgevoel geen raad weten.

 

En toch is er een paar keer tijdens een massage iets seksueels voorgevallen. De allereerste keer (ik kende Sonny toen nog niet) werd ik gemasseerd door een oudere, stevige Surinaamse man met een baard. Hij ontving me op zijn slaapkamer en masseerde me op zijn bed. Dat vond ik al zeer merkwaardig en beangstigend, maar ik was niet zo assertief om er wat van te zeggen. Tot mijn schrik kleedde ook de masseur zich uit en trok hij, toen ik op bed lag, mijn onderbroek naar beneden. Ik verstarde en raakte zonder dat te laten merken in paniek. Ik was doodsbang verkracht te gaan worden en lag als een houten plank onder zijn warme handen. “Ontspan,” riep hij maar steeds commanderend. 

 

Gelukkig kreeg de masseur ‘hem’ niet omhoog en heeft hij het bij masseren gelaten. Hij nam daarbij ook mijn piemel mee, maar trok me niet af omdat ik geen stijve kreeg. Hij zei tegen me: “Je hebt een mooi lichaam, daar moet je trots op zijn. Je hebt een beetje een vrouwelijk figuur.” Nou, lekker compliment! Toen hij met mijn penis bezig was, zei de masseur: “Je hebt een lange voorhuid? Maar je hebt een mooie penis, hoor. Mijn moeder leerde me altijd mijn pik goed te verzorgen, goed te wassen.”

 

Ik lag alleen maar super gespannen, met ingehouden adem en dicht geperste ogen af te wachten totdat het voorbij zou zijn. Toen we weer aangekleed waren, vroeg de masseur aan mij wat ik van de massage had gevonden en van hem.  Ik loog dat ik van de massage had genoten maar zei eerlijk dat ik bang was dat hij homo was en me zou nemen. Daarop werd hij prikkelbaar: “Wat maakt het nou uit of je bi, ba of bo bent?! Het gaat erom of je iemand aantrekkelijk vindt. Dat valt me zwaar van je tegen, mijnheer Duncan!”

 

Toen ik na deze schrikervaring thuis was, had ik hele dubbele gevoelens. Ik voelde me vies maar raakte ook seksueel opgewonden. Ik heb mezelf afgetrokken, fantaserend dat ik seks had met die vieze, dikke, lelijke masseur die ik helemaal niet aantrekkelijk vond. Daarna kwam ik de man nog herhaaldelijk tegen op de fiets, maar ik deed steevast alsof ik hem niet zag. Ik wilde nooit meer met hem praten. Hij had me emotioneel verkracht, vond ik.

 

Ik was al met Sonny toen een andere masseur me in een speciaal voor massage ingerichte schuur bij zijn huis ontving. Voordat hij met de verwennerij begon, ontblootte hij zijn bovenlichaam. Ik zag een tepelpiercing. Niks voor mij trouwens. Hij pochte dat veel klanten het lekker vonden om hem aan te raken. Ik moest er niet aan denken. Weer durfde ik niet bij voorbaat de massage te annuleren en onverrichterzake naar huis te gaan. Ik ging braaf, maar weer gespannen, op de massagetafel liggen. De man deed er alles aan om me op te geilen. Dat lukte. Hij masseerde heerlijk, eerlijk is eerlijk.

 

Toen ik op mijn rug moest gaan liggen en hij mijn stijve zag, trok hij me onmiddellijk af, op een hele tedere, subtiele wijze. Ik genoot er op dat moment intens van. Het was een geile roes. Nadat ik was klaargekomen en hij mijn sperma met wc-papier had verwijderd, wilde hij nog eens aan mijn paal rukken. Maar ik was nuchter geworden en verzadigd en maakte hem duidelijk dat ik daar niet van gediend was.

 

Ik sloeg verbaal en emotioneel helemaal dicht. Weer die dubbele, verwarrende gevoelens. De man schepte onderwijl op dat hij al meer jongens had bevredigd. De geniepigerd vroeg me dit niet door te vertellen, omdat hij anders een slechte naam kreeg in het dorp. Hij was immers getrouwd. Zijn volgens mij nietsvermoedende vrouw zou ik even later, in de keuken, tijdens het afrekenen, nog de hand schudden. Ik was nog steeds van de kaart en dat moet zij gevoeld hebben.

 

De masseur merkte dat ik niet happy was en zei toen we nog alleen waren: “Vergeet deze ervaring gewoon. Net doen alsof het niet is gebeurd en weer doorgaan.”

 

Nu lijkt het misschien alsof alle massages seks gerelateerd zijn of uitlopen op seks, maar ik heb honderden massages gehad en dit waren de enige keren dat het erotisch eraan toe ging. Wel was er nog die Thaise masseuse die in scheiding lag met haar man en die me vroeg of ik een laptop voor haar wou kopen en met haar naar Thailand wilde verhuizen. Ik maakte haar snel duidelijk dat ik gelukkig ben getrouwd, dat ik financieel op de zak teer van mijn vrouw en dat er bij mij niks te halen viel.

 

Tijdens een familievakantie in Indonesië, op het eiland Java, heb ik me vaker laten masseren in goede familie- en zakenhotels. Iedere keer probeerde de masseuse van dienst me te verleiden tot een ‘happy ending’, zodat ze wat extra geld kon vragen. Ik moet toegeven dat het wel wat van mijn zelfbeheersing vergde om ‘nee’ te zeggen, want het waren bloedmooie meisjes die volgens mij overal voor in waren als ze ervoor betaald kregen. Ik ben erg gesteld op vrouwelijk schoon, ben snel verliefd en te verleiden en ik hou erg van seks. Maar ik ben vooral gesteld op mijn vrouw. Ik was achteraf dus blij dat ik niet voor de verleiding was gezwicht.

 

Ik zou wel knettergek zijn om mijn relatie met deze fantastische vrouw op het spel te zetten voor een wipje!

Als ik in balans wil blijven, dan moet ik mijn vrouw te vriend houden. Zij houdt mij namelijk in evenwicht! Zonder haar viel deze ‘wankele koorddanser’ meteen van zijn touw! Zo’n lieve vrouw krijg ik nooit meer! En wil ik ook niet. Ik wil deze houden!

 

Hoofdstuk 31.

 

Als er geen oplossing is, dan is er ook geen probleem (indianenspreekwoord).

 

Vanmorgen betrapte ik mezelf erop dat ik enorm baalde dat ik wakker was geworden. Een loodzware steen nestelde zich in mijn maag. Ik had nog wel even willen doorslapen. Of liever nog voor eeuwig. Bij het prille ontwaken, besefte ik meteen dat ik me weer plichtmatig door een nieuwe, lange dag vol met sleur zou moeten proberen te wurmen. Een dag met de gebruikelijke frustraties, angsten, zorgen, kwaaltjes en mismoedigheid.

 

Kortom: het is mooi lullen over balans en evenwicht en zo, maar in de praktijk van mijn leven komt het erop neer dat ik voortdurend het evenwicht verlies of dreig te verliezen. De laatste tijd voel ik me danig overbelast en heb ik best veel last van vervelende gedachten: dan zie ik bijvoorbeeld een moedervlek op iemands gezicht en dan denk ik: ‘wat ben je toch lelijk. Wat zijn die moedervlekken vies en ontsierend’. Telkens als ik naar die lieve, mooie persoon kijk, zie ik die ene moedervlek en heb ik van die naargeestige, obsessieve gedachten.

 

Tekenen van overspannenheid?

Ik heb mijn handen vol aan mijn angsten en frustraties en daarnaast moet ik ook nog, met een halflege accu, het huishouden doen, een boek schrijven, Sonny opvangen (ze is nogal gestrest de laatste tijd) en aandacht besteden aan de kinderen. De gewone dingen eigenlijk, maar die gewone dingen vergen van mij een ongewone krachtsinspanning.

 

 

Dolgraag had ik gisteren mee willen gaan naar de ouderavond van de kinderen, maar ik voelde me zo uitgewoond dat het niet ging en dat ik dus niet meeging. De hele avond heb ik voor pampus gelegen op de bank. Een dooie heeft nog meer energie, bij wijze van schrijven.

 

Sonny en de kinderen zitten met z’n drieën altijd op elkaar gepropt op een driezitsbank tv te kijken en ik neem in mijn eentje de andere driezitsbank in beslag, omdat ik ’s avonds zo uitgeteld ben dat ik niet rechtop kan blijven zitten en  languit MOET liggen.

 

Toen ik nog als journalist actief was, had ik totaal geen energie over om Sonny ergens mee te helpen. Ze heeft in haar eentje met loodzware kasten en met de topzware matrassen van ons bed gesjouwd. De overbuurman heeft mij eens gevraagd of ik wilde helpen om een nieuwe keukentafel naar binnen te tillen. Ik durfde niet te weigeren en ik wilde eigenlijk dolgraag helpen. Kon ik me eindelijk eens nuttig maken. De tafel was nochtans verschrikkelijk zwaar. Ik moest het laatste restje energie uit mijn lijf persen om dat ding niet uit mijn handen te laten vallen. Door de krachtsinspanning werd ik vuurrood. De overbuurvrouw schrok er zelfs van en vroeg zich hardop af of ik het wel aankon (ze weet niet van mijn beperkingen). Volslagen uitgeput plofte ik na deze ‘uitputtingsslag’ thuis op de bank neer. Ik heb twee dagen amper een poot kunnen verzetten…

 

Gisteren, tijdens een wandeling, zag ik een leeg, in elkaar gedeukt blikje energydrank liggen en ik herkende onmiddellijk mezelf in dat lege, afgedankte, verfrommelde blikje. Dat blikje was mijn spiegelbeeld. Leeg geslurpt en weg gemieterd door de handen van de maatschappij.

 

Niet zo verwonderlijk dus dat ik vanochtend liever niet wakker had willen worden en geen zin had in weer een dag in de SM-isoleercel.

 

De instinctieve tegenzin verdween evenwel een beetje toen ik de stemmen van de kinderen hoorde. Als zij er toch niet zouden zijn...

 

Dat de zon zou schijnen, had ik niet verwacht. Dat was een aangename verrassing. De Rode Lampion scheen schitterend alsof ze poseerde voor een reisbrochure teneinde geldzakken te lokken. Het was een beetje een Afrikaanse zon: heel groot en heel erg rood, alsof het een eerbetoon was aan Lenin en Marx (Afrika en het communisme hebben niets met elkaar, maar je begrijpt hopelijk wat ik bedoel).

 

Ik ben heel gevoelig voor de sfeer die het weer uitstraalt. Gisteren was het een alarmerend grijze, grauwe, bedompte en lusteloze dag en voelde ik me allesbehalve lekker. Ik had er het liefste een einde aan gemaakt.

 

Als ik deze aarde verlaat, zal ik me pas weer als herboren voelen. Je had om me rouwen toen ik nog leefde, zal ik vanuit de hemel zeggen. Vier nu maar feest...

 

Hier beneden is het FC Knudde en we lachen er wel om, maar eigenlijk is het diep triest, dit aardse gemodder.

 

Ik probeer van dit soort gedachten verlost te raken en staar naar buiten. Ik kijk naar het stripverhaal van de wolken. Een wolkenschip stijgt op, terwijl twee sneeuwwitte baby-olifantjes door het immense luchtbad zwemmen.

 

Na het ontbijt ga ik in een natuurgebied wandelen. Het is allemaal heel troosteloos en ik besef dat ik een aangepast surrogaatleven leid, dat mijn geest in een rolstoel zit en dat mijn hart kreupel is. En daar zit ik dan, langs de waterkant, terwijl de eenden als paniekvogels wegvliegen, omdat ze als de dood zijn dat deze angsthaas hen wat zal aandoen.

 

Ja, daar zit ik dan, als een ouwe man zonder doel in z’n leven, als een tijdvechter, als een toreador die de tijd een rode lap voorhoudt maar die door de tijd wordt verwond. Zoals John Lennon zei: “Time wounds all heals.”

 

Daar zit ik te zitten en geforceerd te ontspannen, als een visser zonder hengel, zogenaamd te genieten van de rust en van de rustgevende, haast stille natuurmuziek. Geen hengel, maar ik vang toch wel wat inspiratie met mijn onzichtbare tentakels.

 

Ik tuur over het uitgestrekte meer en kijk naar de waterduinen met de windplooien, als een vloeibare woestijn. Mijn ontmoetingen met Moeder Natuur zijn, zelfs tijdens een depri-bui, versterkend en verkwikkend, alsof ik een vol glas met 'Vitamine Natuurenergie' leegdrink. Mijn navelstreng met Moeder Aarde wordt dan alleen maar steviger en korter.

 

Deze luchtdouche doet mij goed. De ijzige adem van de morgen, als koude rook, föhnt mijn gezicht. Tenslotte hou ik halt bij het Jezusbeeld, geparkeerd tussen drie reusachtige, statige, antieke bomen. Duidelijk een goede energetische plek met mooie vibraties. Ik kan het voelen of meen het te voelen. Het effect is in elk geval positief.

De visser zonder hengel stapt in zijn auto. Het was weer een goede vangst. Inspiratie vult mijn netten... Mijn ziel gewassen. Mijn hoofd en hart voor even enigszins gereinigd.

 

Twee uur later zit ik evenwel weer te mokken, thuis met mijn frustraties, pijtnjes en gebrek aan energie. Zelfs in mijn (dag)dromen komen mijn dromen niet uit... De realiteit heeft me alle geloof in dromen afgenomen... Die realiteit heeft zich in mijn dromen vastgebeten...

 

Word ik ooit echt beter en volmondig gelukkig?

 

Het uitgebreide bloedonderzoek in het ziekenhuis te Rurdam leverde andermaal geen (opzienbarende) afwijkingen op. Vandaag kreeg ik het ‘goede’ nieuws. Volgens de medische testen ben ik kerngezond. Hoe kan een mens zich zo zwak en ziek voelen, nooit fit zijn, en lichamelijk toch gezond zijn volgens de ziekenhuisspeurhonden?

Je zou zeggen dat er toch iets in je lijf en bloed te vinden moet zijn als je je zo lamlendig voelt? Het zullen dan wel alle negatieve emoties en gevoelens zijn die inwerken op het lichaam. Ik ben het levende bewijs dat lichaam en geest met elkaar samenhangen en op elkaar inwerken. Het lijstje met psychosomatische klachten is onbeperkt.

 

Natuurlijk ben ik altijd opgelucht als de bloedtesten/bloedwaarden goed zijn. Een chronische of levensbedreigende lichamelijke kwaal wil ik er echt niet bij hebben. Maar anderzijds heb ik door al die goede bloedwaarden helemaal geen wetenschappelijke en tastbare bewijzen voor mijn dagelijkse malaise. Daardoor blijft de erkenning en het begrip voor mijn lijden uit.

 

Voor de artsen en instanties ben ik dus eigenlijk gezond. Kerngezond zelfs. Daar sta je dan met al je misère. Gezond verklaard, maar zo ziek als een hond.

 

Het is allemaal niet leuk. Je leert er het beste van te maken, maar goed en gelukzalig is het en voel ik me zelden...

 

 

Maar ja, er zijn wel meer tragische levens...

 

Hoofdstuk 32.

 

Omdat alles in alles is, zijn wij allen familie (Sioux).

 

Na al die jaren voel ik mij nog steeds als een boom die door de bliksem is getroffen. De stam staat er nog, half, maar er groeien geen takken, laat staan bladeren meer aan.

 

Het mooiste is de volwassene in wie het oorspronkelijke kind tot volle wasdom is gekomen, verstevigd door de bouwstaalmatten van de volwassenheid, mits het oorspronkelijke kind lief, leuk en creatief was natuurlijk.

 

Nou, ik ben echt nog wel als die jongen van 11 jaar, maar onderweg ben ik scheef gegroeid en heb ik geen volwassen pantser kunnen maken om dat oorspronkelijke kind veilig in te laten existeren. Vaak is een mens zijn hele leven bezig om dat wat gedurende de jeugdjaren en/of daarna scheef is gegroeid enigszins recht te breien…

 

Nog altijd ben ik verwikkeld in een proces van vallen en opstaan, van drie stappen vooruit en twee stappen terug, soms van drie stappen voorwaarts en vier stappen terug. Zo nu en dan is er sprake van een patstelling en zit er geen beweging in.

 

Het verschil met een kwart eeuw geleden is dat ik nu op de goede weg zit en aan het herstellen ben, terwijl ik destijds de weg volledig kwijt was en mezelf de vernieling in hielp met mijn spirituele fanatisme, obsessieve zelftherapieën en zweverige gedoe. Toen zat ik in een afschuwelijke omgeving (thuis, in die privéoorlog van mijn ouders) en zocht ik niet naar ontspanning. Thans heb ik een heerlijk gezin en maak ik het ons en mezelf zoveel mogelijk naar de zin.

 

Maar de weg waarop ik zit, is nog steeds onverlicht. Ik ben van zo ver gekomen dat de weg naar het licht eindeloos lang is. Daarom reis ik nog steeds door het duister. Ik ben weliswaar op weg naar het licht, maar het licht is nog niet in zicht. Wel heb ik leren zien in het duister. Mijn ogen en mentale instelling hebben zich aangepast aan het gebrek aan licht. Je kent dat wel, als je gaat slapen. Als je de lichten pas hebt uitgedaan, dan zie je allereerst geen hand voor ogen. Na een paar minuten lijkt het duister wat doorzichtiger te worden. Toch?

 

Als er geen geneesmiddelen zijn en als je Lijden met een kapitale, vet gedrukte beginletter moet schrijven, dan moet je het rooien met de hulpmiddelen die er zijn en die je worden aangereikt.

 

Tegenwoordig is ‘mindfulness’ erg in de mode. Het is een therapievorm of eerder een manier van leven waarbij je in het dagelijks leven alles met volle aandacht, heel bewust, probeert te doen. Je openstellen voor wat je hoort, voelt, ziet en ruikt, is daarbij essentieel, zodat je jezelf in bijvoorbeeld de schoonheid van regendruppels op grassprieten kan verliezen en verdiepen.

 

Een psycholoog naar wie ik door mijn huisarts was doorverwezen en die volgens hem als ‘een hele professionele’ bekend stond maar die een hele akelige priemende, starre blik had die me erg ongemakkelijk deed voelen, kwam ook aanzetten met mindfulness.

 

Blijkbaar had de zielenknijper niet geluisterd toen ik hem had verteld dat ik me juist overdreven openstelde en dat ik daar bijkans gek van was geworden. In de beginjaren van mijn lijdensweg had de befaamde paranormale therapeut tegen me gezegd dat ik me veel meer open moest stellen voor al het moois om me heen en dat ik minstens een half uur per dag moest wandelen met de neus en kin omhoog. “De meeste mensen kijken naar de grond, maar wat zie je daar? Alleen maar troep en stront. Kijk om je heen en geniet van de schoonheid.”

 

Op zich een hele goede tip die ik nog steeds in de praktijk breng, ware het niet dat ik obsessief en veel te fanatiek zijn raad opvolgde. Ik heb aanleg voor obsessief gedrag. De godganse dag was ik alleen maar bezig om me open te stellen en om aandachtig om me heen te kijken naar de mooie gevels, naar de mensen en naar de bloemen en om de geluiden om me heen te registreren. Ik keek nooit meer naar de grond, want dat was zogenaamd ziekmakend!  Ik zag mijn eigen voeten nooit meer.

 

Mindfulness is prima als je het een half uurtje per dag toepast, maar niet als je er 24/7 mee bezig bent! Dat is teveel van het goede.

 

Door me zo overdreven open te stellen, kreeg ik op een gegeven moment het chronische gevoel buiten mezelf te zijn, niet meer in mijn lichaam te zitten. Wezenloos voelde ik me, als een automobilist die teveel heeft gezopen en niet bij de les is in het verkeer.

 

Een auralezer uit Maastricht zei ongeveer tien jaar geleden tegen mij, geheel uit zichzelf: “Je stelt je zo overdreven open dat je heel veel negatieve energieën uit je omgeving oppikt. Daar zit je vol mee. Zodoende is je aura (je energetische energieveld dat sommige mensen kunnen waarnemen in de vorm van kleuren en vormen om je heen, RD) vervuild.” De paragnost maakte via strijkbewegingen met zijn handen rondom mijn lichaam zogenaamd mijn aura schoon, maar ik heb er nooit  verlichting van ondervonden.

 

Zo heb ik ook eens een vrouwelijk medium gebeld dat erom bekend stond dat ze je aura en je huis kon bevrijden van negatieve energie door middel van telefonische ‘behandelingen’. Vraag me niet wat ze deed of hoe ze het deed, maar ze beweerde dat ze in staat was om de energievelden in het huis aan te voelen en te zuiveren. Volgens haar waren er veel ‘zwarte entiteiten’ (overledenen met negatieve energie) die zich niet alleen in mijn huis hadden genesteld maar die zich tot overmaat van ramp ook aan mijn lichaam en energieveld hadden vastgekit. Deze entiteiten zouden mij leeg slurpen. Ze zouden mijn energietank leeg halen om hun eigen tank te vullen. Geen onbaatzuchtige types dus.

 

Het medium vroeg aan deze vampierachtige entiteiten om mij en mijn woning te verlaten. Het medium claimde dat ze deze energie slurpende wezens tijdens de telefonische sessie naar Het Licht had begeleid (ze moesten allemaal een trap op naar boven) waar ze liefdevol zouden worden opgevangen door de engelen van het Licht.

 

Het zal allemaal best, maar al die poeha heeft me helemaal niet geholpen. Paranormale therapeuten zijn er - als hun remedie niet werkt - heel goed in om de patiënt het gebrek aan verbetering te verwijten. “Ja, maar dat komt omdat je zelf zo blijft vasthouden aan het negatieve.” Dat zou hetzelfde zijn als wanneer je aan je levenspomp wordt geholpen door een hartchirurg, maar als je je na zijn ingreep nog even slecht voelt, dat hij dan een week na de ingreep zegt dat dat komt omdat je nog altijd te vet eet.

 

Dat de psycholoog met de priemende oogjes me aanraadde een boekje en cd’s over mindfulness te bestellen (terwijl hij ze zelf in huis had), deed mijn toch al wankele vertrouwen in hem nog meer kelderen. Ik was aan overdreven mindfulness bijna kapot gegaan en dat had ik hem verteld! De behandeling heb ik vervolgens gestaakt. In het medisch eindrapport dat de breindokter over me opstelde, schreef hij dat ik vermijdingsgedrag vertoonde en een afhankelijke persoonlijkheidsstructuur had.

 

Ik herkende mijzelf daar helemaal niet in (Sonny was het met me eens) en heb deze diagnose uit mijn medisch dossier laten verwijderen door de huisarts. Echter, de huisarts had weliswaar de door mij gewraakte woorden van de psycholoog gewist, maar bleef – als ik bij hem kwam – zeggen dat ik vermijdingsgedrag vertoon. Dat maakte me razend. Als iemand juist geen vermijdingsgedrag vertoont, dan ben ik het wel! Dat ik bepaalde dingen niet (goed) kan of niet meer durf (zoals autorijden op de snelweg) omdat het gepaard gaat met teveel paniek, het daardoor onverantwoord is en dat ik daarom Sonny laat rijden, wil in mijn beleving niet zeggen dat ik vermijdingsgedrag vertoon of me afhankelijk opstel. Bovendien blijf ik oefenen om de angsten te bedwingen, ook op de autoweg.

 

Menigeen zonder fobie maar met vliegangst stapt nooit het vliegtuig in. Ik stapte met mijn angst- en paniekstoornis en enorme vliegangst die kist in. Naar Turkije, naar Amerika en Canada, naar Ecuador, naar India en naar Indonesië! Slopend was het, maar ik deed het en ik doe het nog steeds!

 

I rest my case! De vliegangst heb ik zelfs overwonnen. Niet dankzij mindfulness, maar door mezelf anders te programmeren (daar heb ik reeds in een eerder hoofdstuk over bericht)!

 

Wat er ook aan therapieën in de mode is (en het is het proberen waard)… ik vind dat patiënten, indien ze daartoe nog in staat zijn, ook vooral zelf methoden moeten verzinnen en bedenken om verlichting te vinden. Je voelt zelf aan wat goed is voor je. De een heeft bijvoorbeeld baat bij yoga, terwijl een ander juist kregelig wordt van die kattengymnastiek!

 

Wat mijzelf het meest helpt? Het is een heel scala aan hulmiddelen, maar leuke dingen doen en simpelweg gelukkig zijn, helpen me toch het allerbeste. Niets zo gezond als plezier, genieten en geluk! En iedereen heeft z’n eigen pretpakket!

 

 

Hoofdstuk 33.

 

Het leven verschilt niet van de dood. Dat lijkt alleen maar zo (Blackfoot).

 

Met een paniekstoornis op zak, als het diploma van kromgroei, is het moeilijk om te genieten en onmogelijk om voluit te genieten. Sommige dingen zijn gewoon ondoenlijk, omdat ik zo uitgeput ben dat ik de strijd met de angst en paniek niet kan aangaan.

 

De veerkracht ontbreekt vaak. Vandaag helaas ook. Zoonlief heeft vanavond de schoolmusical van groep 8 en ik kan er niet heen. Omdat onze benjamin niet graag op het podium en niet graag in de belangstelling staat, heeft hij op geraffineerde wijze een heel klein rolletje naar zich toegetrokken, maar ik had hem toch graag zien optreden en ik was heel graag bij zijn afscheidsfeest geweest van de lagere school.

 

De musical van dochterlief heb ik twee jaar geleden wél bijgewoond. Die avond heb ik constant moeten vechten tegen dreigende paniek en ik heb wel honderd keer de behoefte en de neiging gevoeld om gillend de zaal uit te rennen en naar huis te vluchten, maar ik doorstond het. Gebrek aan moed en aan doorzettingsvermogen kun je me onmogelijk verwijten!

 

Niemand van de aanwezigen tijdens de opvoering zal zo opgelucht zijn geweest toen het laatste applaus had geklonken. Het zat erop, ik had het gered en kon naar huis.

 

Dat is toch geen leven?! Zo wil je verdomme toch niet  hoeven vechten?!

 

Op dat moment was ik blijkbaar sterker dan nu, want ik kan het thans echt niet opbrengen om vanavond naar de schoolmusical te gaan. Doordat mama maandenlang kanker heeft gehad en me dat verschrikkelijk aan het hart ging en gaat, is een groot deel van mijn veerkracht gesmolten of verdampt. Haar lijdensweg was ook voor mij een emotionele uitputtingsslag. Haar zo vernederd te zien worden door die rotziekte, ging door merg en been.

 

Als je al emotioneel, lichamelijk en geestelijk verzwakt bént en er komt zoiets bovenop, dan kun je dat er eigenlijk niet bij hebben. Maar dat is feitelijk het verhaal van mijn leven: iedere keer als ik denk dat ik een beetje op krachten kan komen en effe lekker in mijn vel zit, gebeurt er wel weer iets waardoor die wankele basis omver wordt gekegeld en ik terug in de emotionele en psychosomatische lappenmand beland.  

 

Met een paniekstoornis is iedere activiteit buiten de comfort zone een hel, met chronische uitputting is zelfs het gewone leven veel te zwaar en met gebroken zenuwen wordt zelfs geringe stress een spanningsbom. De gedachte dat ik vanavond bij de schoolmusical moet worstelen met paniek, maakt me al paniekerig op zich, zeker nu ik krachteloos ben.

 

Dat ik reeds als kind angstgevoelig was en als angsthaas in de wieg ben gelegd, heb ik in dit boek reeds behandeld. Maar was ik als kind ook al paniekgevoelig?

 

Als ik terugdenk aan mijn kinderjaren, dan moet ik constateren dat ik niet vaker paniekerig was dan andere kinderen. Misschien dat wél de mate van paniek groter was dan bij de meeste andere leeftijdsgenootjes.

 

Mijn eerste paniekaanval (toen ik nog geen paniekstoornis had), kreeg ik toen ik vier jaar was. Op een avond werd ik wakker door iets. Ik ging naar beneden, want ik wilde mijn moeder even zien en spreken. Niemand kon me zo gerust stellen als zij. Echter, papa en mama waren er niet. Mijn zussen en ik werden opgevangen door een oppas, een buurmeisje dat ik amper kende. Ik raakte verschrikkelijk buiten mezelf. Ik schreeuwde om mijn moeder en huilde hete tranen. De oppas probeerde me te kalmeren door te vertellen dat mijn papa en mama naar een feestje waren (ze hadden me dat niet verteld, misschien omdat mijn ouders wisten dat ik dan bang zou worden, alleen thuis zonder hen).

 

Het arme kind kreeg me met geen mogelijkheid rustig. Ik bleef krijsend herhalen dat ik mama wilde zien en dat mama terug moest komen. Een buitenstaander moet mij een onuitstaanbaar, dramatisch joch hebben gevonden. Hoe het afliep, weet ik niet meer, maar volgens mij kwam ik pas tot bedaren toen mijn moeder weer thuis was. Het zal me niets verbazen als ze door de oppas telefonisch is verwittigd en dat ze vroeger naar huis is gekomen. Zoiets staat me vaag bij.

 

Als kind werd ik vaker midden in de nacht in paniek wakker. “Ik heb gaten in mijn buik!” schreeuwde ik dan jankend. Dat kwam best vaak voor. Steeds weer die gaten in mijn buik.

 

Door alles wat ik heb meegemaakt, wijs ik het bestaan van vorige levens niet resoluut van de hand en iets in mij zegt dat ik in een vorig bestaan ben doodgeschoten, met drie kogels. Het kan net zo goed fantasie zijn. Ik kan er de vinger niet opleggen. Ik weet niet of het een hele vage herinnering is, verbeelding of een soort van psychotisch denkbeeld. Ik weet wel dat kinderen ontvankelijker zijn voor dingen die wij als paranormaal beschouwen. Zo beweerde zoonlief als klein jochie dat hij in zijn kamer een oude man zag met een pet en een groene jas. Mijn opa uit Zeeland droeg altijd een pet en een groene jas of een groen vest…

 

Hele erge paniek brak uit in mijn hoofd toen op een dag – ik zal vijf of zo zijn geweest – zwarte Piet bij mijn ouderlijk huis aanbelde. Door het raam van de voorkamer had ik de zwarte Pieten al gezien en ik had God gesmeekt dat ze niet bij ons zouden aanbellen. Ik vond die zwarte, drukke kerels doodeng. Mijn moeder deed evenwel vriendelijk de deur open en die zwarte Piet begon heel wild te springen en vrolijk te lachen. Volledig in paniek spurtte ik de trap op naar mijn kamer, met de deur op slot. Ik huilde en krijste naar beneden, onophoudelijk: “Ga weg!” Pas toen de verbouwereerde knecht van De Sint was vertrokken en mijn moeder de voordeur had gesloten, kwam ik weer een beetje tot mijzelf. Met smaak heb ik nasnikkend de pepernoten gegeten die de ‘engerd’ aan mijn moeder had gegeven.

 

Tja, ik heb toch al geschreven dat ik een ontzettend plakkerig mama’s-kindje was? Nou dan!

 

Niet normaal van de kaart was ik toen de uitslag van de CITO-toets in groep 8 (toen nog de zesde klas) bekend werd gemaakt. Op basis van deze toets zou ik naar het LBO (het Lager Beroeps Onderwijs) moeten. Nu vind ik dat daar niks mis mee is, maar ik zag dat toen als een complete vernedering. Ik wilde niet voor mijn slimme zussen onder doen. Ik ben van oorsprong een ambitieus en competitief ingesteld baasje. Ik ben dan ook eerder ten onder gegaan aan mijn bewijsdrang dan aan luiheid, terwijl sommige buitenstaanders van mening lijken te zijn dat iemand met chronische uitputting een notoire aansteller is en dat iemand die werkloos is per definitie een profiterende nietsnut is. Werklozen zijn de melaatsen van deze tijd.

 

Ik wilde dus op een minstens zo hoog niveau gaan leren als mijn zussen. Mijn oudste zus deed op dat moment nog atheneum en mijn andere oudere zus deed de MAVO. Dat moest voor mij ook haalbaar zijn, vond ik, MAVO. Instinctief wist ik dat ik een hoger niveau dan het LBO zou aankunnen. De CITO-toets toetste vooral rekenkundig, technisch en ruimtelijk inzicht en dat waren nou net mijn twee zwakste vaardigheden. Je kan het in mijn geval zelfs geen vaardigheden noemen: ik ben nagenoeg rekenblind en ik heb totaal geen ruimtelijk en technisch inzicht. Maar ik heb desondanks een goed stel hersens, ben niet slecht in taal en ik kon goed analyseren en onthouden. Ik verfoeide die verdomde CITO-score. Ik haatte die CITO-mensen!

 

Ik was zo van slag en in paniek door de uitslag van de CITO-toets dat mijn vader de behoefte voelde om het voor me op te nemen. Daar ben ik hem nog dankbaar voor, net als voor die keer dat hij mij tijdens een vakantie in Spanje heeft gered toen ik in zee dreigde te verdrinken. Ik was, in de buurt van de rotsen niet eens zo ver van het strand vandaan, in een kolkend gat in de bodem gestapt en dreigde te verzuipen. Kopje onder ging ik, steeds weer. Liters zout water kreeg ik binnen. Ik dacht dat mijn laatste uur was geslagen.

 

Hoewel mijn vader zelf ook amper kon zwemmen, is hij zonder na te denken in het gat gestapt en heeft hij me met alle macht die hij in zich had boven water geduwd en gehouden. Ik zat als het ware met mijn kont op zijn handpalm. Hijzelf ging steeds kopje onder. Samen gingen we kopje onder, maar hij deed alles om mij zoveel mogelijk boven water te houden. Nog steeds vind ik het ontroerend als ik eraan terugdenk. Het was de ultieme poging van een vader om zijn kind te redden. Papa mocht dan wel vaak woede-uitbarstingen hebben en een gekweld mens zijn, maar hij heeft een goed hart en ik respecteer hem enorm.

 

Als belastingambtenaar was hij ook al de beroerdste niet. Naar klanten toe met belastingschulden stelde hij zich dikwijls heel coulant en menselijk op. Mijn vader nam zijn werk heel serieus en nam ook de mensen over wie het ging serieus. Mensen die in de problemen zaten en met wie hij professioneel te maken kreeg, probeerde hij te helpen waar hij maar kon. Ook mij heeft hij dus gered toen ik dreigde te verdrinken. In elk geval heeft hij voorkomen dat ik zou verdrinken. In wezen werden we allebei gered door een groepje Nederlanders van wie er ook geen een kon zwemmen maar die ons uit het water heeft getrokken door een menselijke ketting te vormen. De man die zijn arm uitstak waaraan mijn vader en ik ons konden vastklampen, stond met zijn teen aan de rand van het gat. Heel behoedzaam waren de redders het water ingelopen om niet zelf in het gat te belanden, want dan waren er zomaar ineens zes Nederlanders verdronken!

 

Dus toen ik emotioneel dreigde te verzuipen vanwege de lage CITO-score en ik wanhopig was omdat ik naar een in mijn ogen veel te lage opleiding zou moeten, heeft mijn vader me opnieuw gered. Mijn verwekker en het hoofd van de lagere school hebben namelijk alles in het werk gesteld om mij geplaatst te krijgen op een MAVO. Er waren Middelbare Scholen die mij geen kans durfde te geven, omdat ze zich vasthielden aan de CITO-uitslag, maar er was uiteindelijk één school, de Rijksscholengemeenschap in Rurdam, die het avontuur met me aandurfde.

 

Ik schreef al in een eerder hoofdstuk dat ik met een burn-out van de HAVO kwam (na de MAVO ben ik de HAVO gaan doen) en dat kwam niet alleen door de privé-oorlog thuis, maar ook doordat ik als een gek leerde om mezelf en al die anderen te bewijzen dat ik wel degelijk slim was. Misschien probeerde ik ook wel om mijn zussen naar de kroon te steken, want ik had en heb de neiging om altijd uit te willen blinken en de beste te willen zijn.

 

Het studeren ging me niet makkelijk af, maar ik zorgde ervoor, door de lesstof eindeloos te herhalen en in mijn kop te blijven stampen, dat ik torenhoge cijfers haalde. Dankzij het voetballen, tennissen en het vele uitgaan op donderdagavond, vrijdagmiddag, vrijdagavond, zaterdagavond en zondagavond hield ik deze slijtageslag enigszins vol. Ik was dol op uitgaan. Ik genoot van de muziek, van de lol die we trapten en van de ‘meidenjacht’ die vanwege onze verlegenheid en angst om een blauwtje te lopen altijd op niks uitliep (en toch iedere avond hopen dat een leuk meisje het initiatief zou nemen!).

 

Toen de conrector mij mijn HAVO-diploma uitreikte, sprak hij de voor mij legendarische woorden: “Duncan, we zijn trots op je.” Mijn een na oudere zus die Frans lerares is geworden, heeft even samengewerkt met mijn toenmalige  lerares Frans en die had tegen mijn zus gezegd: “Zo’n leerling als Duncan vergeet je nooit meer.”

Met zulke teksten kun je thuiskomen, nietwaar?!

 

Eerder, medio jaren zeventig van de vorige eeuw, raakte ik in paniek vanwege de gijzeling in een school en de treinkapingen door de Molukkers in Nederland die onafhankelijkheid van Indonesië nastreefden. In paniek vroeg ik aan mijn moeder of het oorlog zou worden. Ik was nog maar een ventje van acht jaar, bang aangelegd bovendien. De mogelijkheid dat de Molukkers met ons oorlog zouden gaan voeren, vond ik verschrikkelijk.

Dit zijn eigenlijk alle voorbeelden van extreme paniek di

e ik me kan herinneren, afgezien dan van al die keren dat ik doodsbang was dat mijn moeder iets zou worden aangedaan door mijn vader.

Het vreselijke van een paniekstoornis, die ik dus later ontwikkelde, is dat je in paniek raakt terwijl er helemaal niks aan de hand is en je niet weet waarom en waarvoor je in paniek bent geraakt. Als je in een rij voor de kassa in de supermarkt ineens in paniek raakt, je boodschappen laat staan en naar huis vlucht, dan kun je daar eigenlijk geen rationele verklaring voor geven. De lijdendruk is nochtans heel hoog.

 

Chronische vermoeidheid en pleinvrees zijn raadselachtige ziekten. Onverklaarbaar. Net zo raadselachtig als hoe de wereld nou precies is ontstaan en wat er achter de dood is, of niet.

 

Je leeft dus met een raadsel dat jouw leven en gezondheid bepaalt en beheerst. Je krijgt nooit te weten wat er nou precies aan de hand is, waar de gebruiksaanwijzing ligt en of er oplossingen zijn voor het probleem...

 

Waarom pleinvrees? Natuurlijk ben ik niet bang voor het veld en voor de ruimte zelf. Ook niet om de wijde wereld in te trekken. Maar wat dan wel de pleinvrees veroorzaakt... Joost mag het weten.

De slechte stressstofjes in je hoofd, zijn de boosdoeners, denk ik. Zoals een paarnormale therapeut tegen me zei: “Als de emmer overloopt, vragen de mensen altijd wat de laatste druppel was, maar het begint al bij de eerste druppel natuurlijk.”

 

Bij veel mensen loopt de emmer over en dat is misschien wel de reden dat angststoornissen heel veel voorkomen. Alleen al in mijn eigen kleine kringetje ken ik tal van mensen met bijvoorbeeld een fobie en met angstaanvallen. Een tante van mij heeft jarenlang straatvrees gehad. Zo erg, dat ze flauw viel door de paniek. Maar zij heeft baat gehad bij de medicijnen waar ik niet tegen kon. Helemaal weg gaan de angstgevoelens in haar geval niet. Nog altijd als deze zus van mijn moeder ergens alleen naartoe moet, is ze bang om weer een paniekaanval te krijgen. Echter, meestal raapt ze alle moed bij elkaar en gaat het goed. Mijn op een na oudste zus heeft zulke erge vliegangst dat ze het vliegtuig mijdt als de pest. Ze boekt alleen maar autovakanties. Een ander familielid van mij wordt paniekerig als ze achterin een tweedeursauto moet zitten en het gevoel heeft er niet heel snel uit te kunnen als ze dat wil of als er een noodsituatie is. Een wijlen oom van mij, een broer van mijn vader, was bang voor afgronden. Mijn schoonmoeder heeft die angst trouwens ook. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Heel veel mensen kennen dus het gevoel van verlammende en verstikkende angst.

 

Echter, ik ken niemand persoonlijk die zo door de angst wordt gegijzeld en geterroriseerd als ikzelf…